HR 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1218
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 1.673 (kartons) overhemden onder klaagster (vennootschap) t.z.v. verdenking van invoer van overhemden uit Zuid-Korea zonder vergunning, waarna strafzaak tegen klaagster is geseponeerd en Rb de vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van overhemden heeft toegewezen. 1. Rechtsgevolgen van overschrijding van redelijke termijn. Had Rb de OvJ n-o moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer wegens overschrijding van redelijke termijn? 2. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer, art. 36c.5 Sr. Kon Rb oordelen dat overhemden van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet? Ad 1. Ex art. 6.1 EVRM heeft ieder, indien het gaat om (A) vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (B) bepalen van gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. Hier doet zich geval voor als onder (A) bedoeld, nu beslissing op vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen 1.673 overhemden onmiddellijk bepalend is voor recht van klaagster om als eigenaresse over die overhemden te beschikken. Anderzijds was sinds onvoorwaardelijk sepot van hoofdzaak nog slechts in beperkte mate sprake van geval als onder (B) bedoeld, aangezien nog slechts behoefde te worden onderzocht: (a) of in vordering genoemd strafbaar feit was begaan, (b) of 1.673 overhemden ex art. 36c dan wel 36d Sr vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer en (c) of geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr diende te worden toegekend. Bij beantwoording van vraag naar gevolgen van overschrijding van redelijke termijn is het ook van belang onderscheid te maken tussen (I) gevallen waarin verdachte moet leven onder dreiging van strafvervolging en daaruit mogelijk voortvloeiende oplegging en tul van straffen en/of maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, en (II) gevallen waarin betrokkene nog slechts onder ogen behoeft te zien dat vordering tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen goederen aan oordeel van rechter wordt onderworpen nadat strafvervolging voor het overige is beëindigd. In de onder (I) bedoelde gevallen is niet-ontvankelijkverklaring OM niet enig mogelijk gevolg van overschrijding van redelijke termijn, aangezien het de feitenrechter vrijstaat lagere straf op te leggen dan hij zonder die overschrijding zou hebben gedaan. Dit geldt te meer voor de onder (II) aangegeven gevallen, waarin overschrijding van redelijke termijn kan leiden tot oordeel dat inbeslaggenomen goederen aan het verkeer moeten worden onttrokken, maar aan rechthebbende (indien deze nadeel heeft geleden doordat onttrekking aan het verkeer niet binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden) ter compensatie van dat nadeel een billijke geldelijke tegemoetkoming moet worden toegekend. Oordeel Rb dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Mede gelet op procesgang en daarin vermelde data kon Rb zonder miskenning van art. 6.1 EVRM tot oordeel komen dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat Rb de OvJ wegens overschrijding van redelijke termijn n-o had moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer van 1.673 overhemden. Ad 2. Rb kon tot slotsom komen dat inbeslaggenomen 1.673 overhemden ex art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat zij tot oordeel is gekomen dat is voldaan aan de in art. 36c.5 Sr gestelde eis, dat voorwerpen “van zodanige aard zijn, dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet”. Rb kon tot dit oordeel komen. Rb heeft haar beschikking naar eis van art. 552f.4 Sv met redenen omkleed. Hieraan doet niet af dat Rb naar aanleiding van gevoerd verweer niet met zoveel woorden heeft overwogen dat zij tot dit oordeel is gekomen. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl