HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9229

Voor de opvatting dat art. 56 lid 4 Wet RO niet van toepassing is op de in art. 13 lid 1 Opiumwet bedoelde overtredingen is geen steun te vinden in tekst, strekking of geschiedenis van art. 56 lid 4. De opvatting dat art. 56 lid 4 onverenigbaar is met art. 14 lid 5 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en art. 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover aan verdachte een feitelijke beoordeling van zijn zaak door een hogere rechter wordt onthouden, is evenmin juist, omdat art. 14 lid 5 IVBP zich niet leent voor rechtstreekse toepassing door de rechter en art. 6 EVRM noch enig ander artikel van dit Verdrag een voor rechtstreekse toepassing door de rechter vatbare bepaling inhoudt waarbij aan de rechterlijke macht een grotere rechtsmacht wordt verleend dan de nationale wet haar toekent; in art. 13 EVRM wordt enkel de verplichting opgelegd de wetgeving zodanig in te richten dat in de daar bedoelde gevallen daadwerkelijk rechtshulp kan worden verkregen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen