HR 1 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD5682
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van ontucht met personen beneden leeftijd van 16 jaren. Beroep op ontoelaatbaarheid van uitlevering, omdat opgeëiste persoon in VS zou worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zijn privéleven niet zou worden geëerbiedigd en hij vanwege zijn geaardheid gediscrimineerd zou worden. 1. Te verwachten bestraffing in VS. 2. Wijze van bejegening in VS. 3. Ongemotiveerd advies aan Minister. Ad 1. Nederland pleegt slechts uitleveringsverdragen te sluiten met landen, waarvan mag worden verwacht dat aldaar strafvervolging en bestraffing plaatsvindt met eerbiediging van algemeen aanvaarde rechtsbeginselen, welke EVRM beoogt te waarborgen. Bij multilaterale verdragen als EUV brengt dit mee dat, indien uitlevering t.b.v. strafvervolging is verzocht in gevallen waarin ook verzoekende staat is toegetreden tot EVRM, het aan rechter die over toelaatbaarheid van uitlevering moet oordelen, in het algemeen niet toekomt om te beslissen over vraag of door dan wel i.h.k.v. strafvervolging in verzoekend land enig in dat verdrag gegarandeerd recht van opgeëiste persoon is dan wel dreigt te worden geschonden. In die gevallen moet immers worden uitgegaan van vertrouwen dat verzoekende staat desbetreffende bepalingen van EVRM zal eerbiedigen. Dit vertrouwensbeginsel geldt niet minder voor bilaterale verdragen als te dezen toepasselijk Uitleveringsverdrag tussen Nederland en VS, ook indien ander land niet is gebonden door EVRM, aangezien ervan moet worden uitgegaan dat Nederland, als door EVRM gebonden staat, resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot desbetreffend uitleveringsverdrag, heeft kunnen afstemmen op aard en mate van erkenning van bedoelde fundamentele rechtsbeginselen in ander land. Dit betekent dat door opgeëiste persoon opgeworpen klacht dat verzoekende staat bij zijn - ingevolge bilateraal verdrag verzochte - uitlevering hem zodanig zal vervolgen en bestraffen, dat bepaalde fundamentele rechtsbeginselen, zoals die vervat in EVRM, worden geschonden, in het algemeen op die gronden niet tot ontoelaatbaarverklaring van verzochte uitlevering kan leiden, tenzij toepasselijk verdrag bepaling in die zin bevat ten blijke dat Nederland bedoeld uitleveringsverdrag slechts heeft willen sluiten onder in verdragsbepaling tot uitdrukking gebrachte waarborg dat bepaalde fundamentele rechtsbeginselen bij uitlevering zullen worden geëerbiedigd. Nederlands-Amerikaans Uitleveringsverdrag stelt inwilliging van verzoek tot uitlevering met het oog op vervolging o.m. afhankelijk van voorwaarde dat feit krachtens recht van beide landen strafbaar is gesteld met vrijheidsstraf van meer dan een jaar (art. 2.2.a), behoudens in art. 2.5 voorziene toelaatbaarheid van uitlevering voor andere feiten dan in die bepaling bedoeld. Verdrag beperkt mogelijkheid van uitlevering niet in die zin dat straf die in verzoekende staat t.z.v. feit kan worden opgelegd bepaald maximum niet te boven mag gaan, behoudens hetgeen in art. 7.1 is bepaald voor het geval naar recht van verzoekende staat doodstraf kan worden opgelegd en recht van aangezochte staat voor feit niet zodanige straf toestaat. Met aldus in Verdrag neergelegd stelsel strookt niet, dat rechter gevraagde uitlevering ontoelaatbaar zou mogen verklaren o.g.v. omstandigheid dat in verzoekende staat voor feit waarvoor overigens ex Verdrag kan worden uitgeleverd, (al dan niet aanzienlijk) hogere straf kan worden opgelegd, dan in aangezochte staat pleegt te worden opgelegd voor dergelijk feit. Ad 2. M.b.t. de i.h.k.v. verweer gestelde wijze van bejegening die opgeëiste persoon bij zijn vervolging en bij tenuitvoerlegging van eventueel hem op te leggen straffen in verzoekende staat te wachten zou staan, heeft Rb geoordeeld dat gestelde niet aannemelijk is geworden. Dit oordeel is van feitelijke aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het berust mede op waardering van betrouwbaarheid van hetgeen ter adstructie van verweer is overgelegd en behoefde geen nadere motivering. Ad 3. Door Rb overeenkomstig art. 30.2 Uitleveringswet uitgebracht advies kan in cassatie niet ten toets komen, aangezien het geen deel uitmaakt van bestreden uitspraak. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl