HR 19 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9105
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op hangmap met correspondentie tussen advocaat en cliënt (en vennootschappen van cliënt) onder BV waarvan cliënt bestuurder is t.z.v. verdenking van belastingfraude. Rb heeft beklag (deels) gegrond verklaard. Verschoningsrecht advocaat, art. 98.1 jo 218 Sv. Mogen justitiële autoriteiten met het oog op belang van strafvordering zonder toestemming van belanghebbenden kennisnemen van correspondentie tussen advocaat en zijn cliënten over aangelegenheid in verband waarmee advocaat in diens hoedanigheid is geraadpleegd? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord o.g.v. zwaarwegend belang dat wordt gediend met eerbiediging van vertrouwelijk karakter van dergelijke briefwisseling die niet voorwerp van strafbaar feit uitmaakt of tot begaan daarvan heeft gediend. Het is immers een aanzienlijk belang dat een ieder mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, advocaat te raadplegen. Dit belang, dat voor advocaat erkenning vindt in hem toekomend verschoningsrecht en in verbod om bij hem als tot verschoning bevoegde (tenzij met zijn toestemming) brieven of andere geschriften tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt in beslag te nemen, zou te zeer worden beperkt wanneer een ieder die advocaat wil raadplegen niet vrijelijk en niet zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen bewaren afschrift van al hetgeen hij schriftelijk aan zijn advocaat heeft toevertrouwd en hetgeen advocaat hem heeft geschreven. Beginsel dat vertrouwelijkheid van schriftelijk contact tussen advocaat en zijn cliënt behoort te worden geëerbiedigd ligt ten grondslag aan (a) art. 50.1 Sv, v.zv. daarin is bepaald dat tussen raadsman en gedetineerde verdachte briefwisseling kan plaatsvinden zonder dat van inhoud door anderen wordt kennis genomen, (b) art. 98.1 Sv jo. art. 218 Sv, v.zv. daaruit voortvloeit dat bij advocaat (tenzij met zijn toestemming) geen brieven of andere geschriften in beslag worden genomen, tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt en (c) art. 125h.2 Sv, waarin is bepaald dat p-v ’s van afgeluisterde telefoongesprekken worden vernietigd v.zv. deze betrekking hebben op door of aan verschoningsgerechtigden gedane mededelingen tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. O.g.v. voorgaande moet derhalve worden aangenomen dat indien door opsporingsambtenaren zonder toestemming van belanghebbende de hand wordt gelegd op bij cliënt van advocaat aangetroffen vertrouwelijke correspondentie zoals hiervoor bedoeld, maatschappelijk belang dat waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor maatschappelijk belang dat een ieder mogelijkheid moet hebben om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking advocaat te raadplegen. In dergelijk geval brengt eerbiediging van voornoemd beginsel mee dat door justitiële autoriteiten van inhoud van zodanige briefwisseling geen kennis wordt genomen, anders dan noodzakelijk moet worden geacht om bewering dat bepaalde brieven karakter hebben van hiervoor bedoelde correspondentie op haar aannemelijkheid te toetsen. I.g.v. inbeslagneming van dergelijke correspondentie zal die briefwisseling dan ook moeten worden teruggegeven op verzoek van belanghebbenden zodra aannemelijk is dat het om zulke correspondentie gaat, onverminderd bevoegdheid tot doen van beklag a.b.i. art. 552a Sv. Rb heeft advocaat ‘’als degene die met cliënt A en cliënt B en beide vennootschappen in correspondentie heeft gestaan’’ als belanghebbende aangemerkt, doch slechts ‘’v.zv. het gaat om kennisneming en/of gebruik van betrekkelijke correspondentie’’. Rb heeft belang van advocaat nader gemotiveerd als belang ‘’dat ook zijnerzijds vertrouwensrelatie met zijn cliënten niet mag worden aangetast en dat moet worden beschouwd als afgeleid van belangen van zijn cliënten’’. O.g.v. hetgeen als vaststaand kan worden aangenomen heeft Rb advocaat terecht en op goede gronden advocaat aangemerkt als belanghebbende, namelijk als degene wiens belang is geschonden door ‘’gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen’’, gelijk art. 552a.1 Sv als grond aangeeft waarover belanghebbende zich o.m. kan beklagen. Rb heeft advocaat slechts ontvankelijk geacht in zijn bezwaar v.zv. het betreft gebruik van inbeslaggenomen correspondentie, terwijl overwegingen van bestreden beschikking betrekking hebben op ontvankelijkheid, niet van advocaat maar van cliënt A. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl