HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903
Medeplegen aanwezig hebben cocaïne in keukenkastje (art. 2.C Opiumwet). 1. Binnentreden woning. Schending art. 9 Opiumwet? 2. Bewijsklacht. Kon hof tot bewezenverklaring komen, nu voor bewijs gebruikte verklaring van medeverdachte inhoudt dat in woning aangetroffen cocaïne van hem was? 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 2 jaren en geldboete van 20.000 gulden, subsidiair 4 maanden hechtenis), art. 359.5 Sv. Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat bij onderzoek in woning geen huiszoeking a.b.i. art. 97.1.1 Sv heeft plaatsgehad, nu verblijf van politie in die woning een uur heeft geduurd, gedurende dat verblijf bij onderzoek in een naast geiser in keuken hangend kastje een plastic zakje met 49,6 gram cocaïne is aangetroffen, bij dat onderzoek niets is verbroken en onderzoek eenvoudig en weinig ingrijpend was. ’s Hofs oordeel geeft niet blijk van verkeerde rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat uit de door Hof vastgestelde feiten kan worden afgeleid dat woning niet stelselmatig en gericht is onderzocht op aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Hof heeft art. 9 Opiumwet niet aangehaald om daaruit enige bevoegdheid van de in lid 1 bedoelde opsporingsambtenaren tot doen van huiszoeking af te leiden, doch alleen om aan te geven dat politie ingevolge dat artikel toegang had tot woning (die zij rechtmatig, immers voorzien van last a.b.i. lid 3, is binnengetreden) en bevoegd was tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Ad 2. Dit betoog is onjuist, aangezien voor vraag of verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad, niet doorslaggevend is aan wie die cocaïne toebehoort. Ad 3. Niet is in te zien waarom de redengeving in strafmotivering niet zou beantwoorden aan art. 359.5 Sv. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl