HR 22 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7905
Feitelijke leiding geven aan bestuurders van vrachtauto’s (personeel van B.V.) te lange rijtijden laten maken begaan door rechtspersoon, art. 3 Rijtijdenwet. Heeft verdachte als directeur van B.V. feitelijke leiding gegeven aan gedragingen? Art. 51.2 Sr. Rb heeft uit gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte aan gedragingen, die geacht moeten worden door B.V. te zijn gepleegd, feitelijke leiding heeft gegeven. V.zv. bewezenverklaring op dit punt wordt bestreden met beroep op ttz. afgelegde verklaringen die niet voor bewijs zijn gebruikt, wordt miskend het dat selectie en waardering van bewijsmateriaal binnen de door wet getrokken grenzen zijn voorbehouden aan rechter die over feiten oordeelt, zodat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd. Gedachtegang Rb o.g.v. b.m. is dat de aan bestuurders van vrachtauto’s gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat tlgd. en bewezenverklaarde overtredingen werden begaan en dat geven van die opdrachten het gevolg was van het algemene, door verdachte als volledig bevoegd directeur in B.V. gevoerde beleid waarin verdachte er rekening mee hield dat overtreding van rijtijdenwetgeving, welke wetgeving naar zijn mening onverenigbaar is met eisen die praktijk van wegvervoer en bedrijfsbelang stellen, onvermijdelijk is. Door, uitgaande van deze gedachtegang te oordelen dat verdachte aan gepleegde overtredingen feitelijke leiding heeft gegeven heeft Rb geen blijk gegeven van miskenning van art. 51.2 Sr. Evenmin is zij tekortgeschoten in haar plicht haar beslissing op dit punt naar de eis der wet met redenen te omkleden. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl