HR 11 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4294

Huurrecht. Verzoek dochter ex art. 7A:1623i lid 2 BW (thans art. 7:268 lid 2 BW) tot voortzetting huurovereenkomst tussen verhuurder en haar moeder, terwijl feitelijke samenwoning na ruim een jaar eindigde wegens overlijden van de moeder. Sprake van het voornemen tot “duurzame gemeenschappelijke huishouding” nu tevens bij aanvang van de samenwoning vast stond dat de moeder een aangepaste woning zou worden toegewezen waarin geen plaats zou zijn voor de dochter? Door doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de verwachting van de dochter en haar moeder bij de aanvang van de samenwoning omtrent de duur daarvan, heeft de rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De wetgever heeft blijkens het bepaalde bij art. 1623h derde lid sub b en de toelichting daarop zoveel mogelijk willen voorkomen dat aan de verhuurder een nieuwe huurder wordt opgedrongen die zich kort tevoren met dat oogmerk in gemeenschappelijke huishouding met de huurder, in de woning heeft gevestigd. Hieraan komt ook bij art. 1623i lid 2 BW betekenis toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen