HR 4 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7429
OM-cassatie en cassatie verdachte. Aanwezig hebben cocaïne, art. 2.C Opiumwet. Optreden van beambten van Amerikaanse DEA, die infiltreren in onderwereld door zich voor te doen als (mede)criminelen en (mede)handelaren in verdovende middelen. 1. OM-cassatie. Motivering verwerping beroep op niet-ontvankelijkheid OM. Klacht niet gericht tegen ’s Hofs (juist geachte) oordeel maar tegen daaraan ten grondslag gelegde motivering. 2. Cassatie verdachte. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM op de grond dat opsporingsambtenaren gedekt door OM strafbaar feit, waarvoor vervolgd wordt, uitlokken en medeplegen. 3. OM-cassatie en cassatie verdachte. Kon hof voor bewijs gebruik maken van verklaringen van politiefunctionarissen en getuigen, wier optreden misdrijf oplevert van uitlokking van aan verdachte tlgd. misdrijf? Ad 1. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over onjuiste motivering van een door steller van middel juist geachte beslissing. Ad 2. Stelling dat indien opsporingsambtenaren gedekt door OM strafbaar feit, waarvoor wordt vervolgd, uitlokken en medeplegen, OM in zijn vervolging n-o zou behoren te worden geacht, vindt (in haar algemeenheid) geen steun in het recht. Ad 3. Hetgeen Hof heeft vastgesteld omtrent wijze waarop in middelen bedoelde verklaringen van getuigen zijn verkregen, behoefde niet aan gebruik van die verklaringen als b.m. in de weg te staan, nu eveneens door Hof feitelijk is vastgesteld dat verdachte door optreden van deze getuigen niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl