HR 16 januari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB4979
OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Duitse nationaliteit) naar Zweden t.z.v. handel in en invoer van amfetamine. 1. OM-cassatie. Dubbele strafbaarheid. Beoordeling ten tijde van beslissing op uitleveringsverzoek. 2. Cassatie opgeëiste persoon. Genoegzaamheid van de stukken, art. 12.2 Europees Verdrag betreffende uitlevering. Ad 1. Ingevolge art. 1 en 2 EUV is Nederland gehouden aan Zweden personen uit te leveren die door Zweedse rechterlijke autoriteiten vervolgd worden ter zake van feiten die krachtens wetten van beide partijen strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf met maximum van ten minste jaar of met zwaardere straf. Rb heeft, ervan uitgaande, dat soortgelijke feiten als waarvoor door Zweden uitlevering van opgeëiste persoon wordt verzocht, sinds 20 juni 1972 krachtens Nederlandse wet strafbaar zijn gesteld met zodanige vrijheidsstraf, ten onrechte uitlevering ontoelaatbaar verklaard op grond dat feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht voor dat tijdstip zijn begaan. In art. 2 EUV neergelegde beginsel van dubbele strafbaarheid heeft immers strekking te voorkomen dat aangezochte partij zou moeten medewerken aan handhaven van normen die met eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans strafsanctie misplaatst wordt geacht, en zo’n geval doet zich niet voor indien soortgelijke feiten als waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens wetten van aangezochte partij ten tijde van verzoek tot en beslissing omtrent uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in art. 2 EUV omschreven. Ad 2. Rechtbank mocht oordelen - gelijk zij kennelijk deed - dat door Zweedse diplomatiek ambtenaar voor eensluidend getekend afschrift van bevel tot aanhouding, gegeven door Zweedse rechter, authentiek afschrift is in de zin van art. 12.2 EUV. Ingevolge art. 12.2.c. EUV is overlegging vereist van afschrift van op strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht toepasselijke wetsbepalingen. Aan die eis is voldaan door overlegging van afschrift van op feiten toepasselijke strafbepalingen, en overlegging van afschrift van andere bepalingen die voor die toepasselijkheid van belang zijn of die omvang van werking van strafwet van verzoekende partij bepalen wordt door EUV niet gevorderd. Door vermelding in verzoek en daarbij gevoegde stukken van naam en voornamen en andere identiteitsgegevens van opgeëiste persoon is voldaan aan in art. 12 EUV vervatte eisen betreffende gegevens ten dienste van vaststelling van identiteit van opgeëiste persoon HR vernietigt uitspraak Rb, maar uitsluitend v.zv. daarbij uitlevering ontoelaatbaar is verklaard en tegen opgeëiste persoon gegeven bevel tot gevangenneming is opgeheven, en verklaart uitlevering toelaatbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl