HR 18 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB5225

Het in ontvangst nemen door een bij verstek veroordeelde gedaagde van een afschrift van het vonnis en de ondertekening van een verklaring van ontvangst zijn geen daden waaruit de bekendheid met dat vonnis noodzakelijk kan voortvloeien, daar de veroordeelde eerst na het in ontvangst nemen van zulk een afschrift van het vonnis kan kennis nemen. Naar bewoordingen en strekking van art. 81, eerste lid, Rv. moet de daad, waarvan daar sprake is, een daad van de veroordeelde zelf zijn; daarmede mag een daad van diens raadsman, waaruit de bekendheid met het vonnis bij deze laatste noodzakelijk voortvloeit, niet worden gelijkgesteld, ook niet indien deze raadsman bij die daad als vertegenwoordiger van de veroordeelde optrad. In het algemeen en behoudens bijzondere door de veroordeelde aan te voeren omstandigheden zal echter moeten worden aangenomen dat aan zulk een daad van de vertegenwoordiger van de veroordeelde een daad van deze zelf, waaruit zijn bekendheid met het vonnis wel noodzakelijk voortvloeit, zal zijn voorafgegaan. Nu eiser zich in dit geval ook op zulk een daad van de veroordeelde beroepen had, had het Hof niet moeten nalaten daarnaar een onderzoek in te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen