HR 10 september 1957, ECLI:NL:HR:1957:2
Zwarte Ruiter. Poging tot gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr), diefstal, meermalen gepleegd (art. 310 Sr), diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.5 Sr), doorrijden na aanrijding (art. 30.1.a WVW) en diefstal met geweld met dood tot gevolg (art. 312.3 Sr). Gevangenisstraf van 15 jaren en TBS opgelegd (in door hof bevestigd vonnis Rb). 1. Bewijsklacht diefstal van personenauto en roofoverval, art. 350 Sv. Heeft Rb ontkenning van verdachte verworpen op grond die ttz. is gebleken? 2. Bewijsklacht roofoverval. Is verklaring van opsporingsambtenaar (inhoudende dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat een ander het misdrijf heeft gepleegd) redengevend voor bewijs? 3. Bewijsklacht diefstal personenauto en roofoverval. Blijkt uit bevestigd vonnis Rb welke bewijsmiddelen zijn gebruikt? 4. Strafmotivering. Kon hof bij strafoplegging betrekken dat verdachte elke kans om zich aan zijn vrijheidsbeneming te onttrekken zal benutten? Ad 1. Uit overwegingen Rb blijkt dat ttz. de vraag is behandeld of verschillende bijzonderheden aan verdachte tijdens zijn verhoren zijn medegedeeld of in kranten zijn gepubliceerd. Raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat noch uit vonnis noch uit p-v’s van tz. van Rb blijkt dat aldaar bepaaldelijk inhoud van krantenberichten ter sprake is gekomen. Dit levert, gelet op hetgeen in die p-v’s is gerelateerd, geen grond op om schending van art. 350 Sv aan te nemen. Ad 2. Rb heeft naast verklaring van opsporingsambtenaar als b.m. gebezigd opgave van verdachte dat hij naam van ander en diens persoon als dader van overval verzonnen heeft. Hieruit blijkt (evenals uit overwegingen Rb) dat Rb de verklaring door verdachte gedaan aan opsporingsambtenaar (inhoudende dat een ander de dader was) heeft opgevat als verzinsel door verdachte gedaan om zijn eigen daderschap te verbergen. Gelet hierop kon Rb verklaring van opsporingsambtenaar, die deze opgave van verdachte inhoudt, redengevend voor bewezenverklaring achten. Ad 3. Zoals bij pleidooi ook namens verdachte is toegegeven, laat vonnis Rb bij grondige lezing geen twijfel omtrent vraag voor welk van deze feiten ieder b.m. is gebezigd. Bewezenverklaring van deze feiten is naar eis van recht met redenen omkleed. Ad 4. Rb kon deze omstandigheid bij haar strafbepaling in aanmerking nemen. Daarbij kon Rb uitgaan van haar wetenschap omtrent wijze waarop maatregel van TBS pleegt te worden ten uitvoer gelegd, zonder dat dit beoordeling daarvan behoeft in te houden. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl