HR 14 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:83

Niet voldoen aan wettelijke plicht door journalist die als getuige is opgeroepen, art. 192 Sr. 1. Heeft journalist verschoningsrecht a.b.i. art. 218 Sv m.b.t. identiteit van hen aan wie hij zijn publicaties ontleent? 2. Beroep op overmacht, art. 40 Sr. 3. Heeft Hof uit b.m. kunnen afleiden dat verdachte “zonder wettige grond” niet heeft voldaan aan een op hem rustende wettelijke verplichting? Ad 1. Bij erkende bevoegdheden om zich krachtens art. 218 Sv te verschonen, zoals voor geestelijken stand en geneeskundig beroep, brengen eigenaardige eisen van dien stand en dat beroep mee dat ieder, die hun bijstand of hulp behoeft, er op kan rekenen dat hetgeen alsdan aan geestelijke of geneeskundige wordt toevertrouwd, geheim blijft en zelfs niet ter kennis van rechter wordt gebracht. Alleen bij voldoening aan deze eis kan worden voorkomen dat vrees voor openbaarheid betrokkene weerhoudt bijstand en hulp, die hij behoeft, in te roepen. Iets overeenkomstigs doet zich niet voor wanneer iemand, die verplicht is enig stuk geheim te houden, dit ter openbaarmaking aan journalist toevertrouwt en deze, na zulks te hebben gedaan zonder bron te vermelden, door rechter naar naam van berichtgever wordt gevraagd. Indien (ingeval van strafbare schending van geheim a.b.i. art. 272 Sr) journalist, die publicatie verzorgde, voor rechter bevoegdheid zou hebben zich te verschonen en daardoor opsporing van misdrijf en van mogelijke strafbare deelneming daaraan zou worden verijdeld, zou zwaarwichtig belang, dat door art. 272 Sr wordt beschermd, worden prijsgegeven. Gelegenheid voor hem, die verplicht is enig stuk geheim te houden, om straffeloos misdrijf van art. 272 Sr te plegen door het aan journalist te geven, is kwalijk te rijmen met in art. 53, 54 en 418 Sr neergelegde zorg om voor daar bedoelde feiten d.m.v. drukpers gepleegd, aansprakelijkheid vast te leggen. Mogelijkheid bestaat dat met openbaarmaking van geheim stuk een algemeen belang wordt gediend, dat zwaarder weegt dan belang dat bij bewaren van geheim is betrokken. Rechter, die omstandigheden van het geval heeft te beoordelen, zal beslissen of openbaarmaking al dan niet strafbaar feit oplevert. Aangezien het bij journalist niet, zoals bij geestelijke en geneeskundige, gaat over feit dat tevoren buiten enig toedoen zijnerzijds is begaan, doch om feit waartoe hij zijn tussenkomst verleent zodat hij zich aldus stelt aan zijde van berichtgever, mag bij afwegen van onderscheiden belangen niet onpartijdig eindoordeel worden gelaten of mogelijkheid als hiervoor bedoeld zich voordoet. Ad 2. Klacht mist feitelijke grondslag, aangezien Hof door te overwegen dat verdachte zich door zijn daad in toestand bracht die hem voor aangegeven keuze “moest” stellen, daarmede tevens op kennelijke wijze tot uiting heeft gebracht dat verdachte op verloop van zaken bedacht heeft behoren te zijn. In ‘s Hofs vaststelling dat verdachte zijn tussenkomst verleende tot bekendmaking van geheim stuk, op strafbaarheid waarvan hij bedacht behoorde te zijn, ligt besloten dat van verdachte redelijkerwijs had mogen worden verwacht dat hij dat had nagelaten, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan verweer geen gewag maakt, zodat redengeving bepaaldelijk te dien aanzien niet was vereist. Ad 3. Voorschrift van art. 338 Sv is enkel t.a.v. tlgd. feit gegeven. Bij pleidooi is namens verdachte er nog op gewezen dat het gaat om dat deel van tll., waarin verdachte wordt verweten dat hij “zonder wettigen grond” niet aan een op hem rustende verplichting heeft voldaan. Deze woorden missen echter zelfstandige betekenis naast hetgeen hem feitelijk is te laste gelegd. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. beroep op overmacht. Conclusie is niet meer voorhanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen