HR 31 maart 1930, ECLI:NL:HR:1930:247
De grief, dat niet zou zijn gebleken, dat bedreiging met geweld heeft plaats gehad, stuit af op de bewezenverklaring. Het vereischte als zou de bedreiging van zoodanigen aard moeten zijn, dat op den ambtenaar een psychische drang wordt uitgeoefend, waardoor deze er toe wordt gebracht zijn ambtsverrichting te staken, vindt in de wet geen steun. Voldoende is, dat de bedreiging met geweld het karakter heeft v. e. verzet tegen den ambtenaar, d. i. het weerstreven v. d. ambtenaar in diens ondernomen ambtshandeling. [Adv.-Gen.: voldoende is, zooals Noyon het uitdrukt, dat de bedreiging uiterlijk van dien aard zij, dat de bedreigde met grond voor het gevolg beducht kan zijn.] (conclusie niet meer voorhanden)
De uitspraak op rechtspraak.nl