HR 13 juni 1871, ECLI:NL:HR:1871:1
Medeplegen gekwalificeerde moord op ouder echtpaar in boerderij in Nijega in 1867. Levenslange gevangenisstraf opgelegd na afschaffing doodstraf bij wet van 17-9-1870. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Is voor bewijs gebruik gemaakt van testimonium de auditu? 3. Lijkschouwing door deskundigen, die eerst een dag later zijn beëdigd. 4. Hebben ttz. afgelegde bekentenissen van verdachte tot diens schuldigverklaring meegewerkt? 5. Kon hof verklaring van verdachte, die hij als getuige bij RC heeft afgelegd, voor bewijs gebruiken? 6. Is bewijs van schuld mede verkregen door testimonium de auditu? 7. Heeft hof als aanwijzing van schuld omstandigheden aangenomen, zonder aan te duiden waarin die omstandigheden hebben bestaan? Ad 1. Uit beslissing dat verdachten de moord en de diefstal in gezamenlijke medewerking hebben gepleegd, volgt dat zij gezamenlijk daaraan schuldig waren, onverschillig welke rol daarbij door ieder van hen in het bijzonder was vervuld. Derhalve is niet de minste strijd tussen 's hofs feitelijke beslissing en de schuldigverklaring. Ad 2. Datgene waarover getuige verklaart behoort niet uit zijn aard tot wetenschap die niet door eigen waarneming maar alleen door hetgeen men van anderen heeft horen zeggen kan worden verkregen. Zeer stellige bewoordingen waarin getuigenis wordt vermeld, leveren geen grond op tot veronderstelling dat getuige niet zijne eigen bevinding maar hetgeen hij van anderen vernomen had aan hof zou hebben opgegeven. Derhalve blijkt niet van testimonium de auditu. Ad 3. Nergens is voorgeschreven dat deskundigen vóór verrichten der schouwing moeten worden beëdigd. Art. 50 jo. 98 Sv schrijft alleen voor dat deskundigen in handen van RC de eed zullen afleggen dat zij naar hun geweten verslag zullen geven. Ad 4. Bedoelde onzekerheid t.a.v. gebruik dat hof van bekentenissen van verdachte heeft gemaakt, bestaat niet. Ad 5. Processen-verbaal van rechter-commissarissen kunnen als authentieke akten een volledig bewijs opleveren van hetgeen daarin nopens datgene wat daarbij geconstateerd moet worden vermeld staat. Daaruit volgt dat hof, door p-v van RC als bewijs te laten gelden wat betreft inhoud van een door getuige afgelegde verklaring, de wet niet kan hebben geschonden. Hof kan evenmin de wet hebben geschonden door die verklaring zelf, door verdachte afgelegd op tijdstip dat hij nog slechts als getuige in het geding was gedagvaard, als aanwijzing te bezigen, nu dit nergens verboden is en zodanige verklaring zonder twijfel te rangschikken is onder art. 442 Sv. Ad 6. De door getuige gehoorde woorden van ander kunnen, als van geen gewicht t.a.v. datgene waarop het hier aankwam, van geen invloed zijn op 's hofs beslissing. Ad 7. Uit arrest blijkt wel degelijk waarin de bedoelde omstandigheden bestaan. Volgt verwerping. Conclusie niet meer voorhanden.
De uitspraak op rechtspraak.nl