Hof 's-Hertogenbosch 24 september 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2751
Opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
Parketnummer : 20-002853-25
Uitspraak : 24 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 82-361547-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter – onder vernietiging van de eerder opgelegde strafbeschikking – de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.350,00, subsidiair 23 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf ter hoogte van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daarnaast verzocht dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte worden geretourneerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – inclusief de vernietiging van de eerder opgelegde strafbeschikking – onder aanvulling van de gronden waarop het berust, behoudens de opgelegde straf. In zoverre wordt het vonnis waarvan beroep vernietigd. Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, ziet het hof aanleiding om de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen te verbeteren en aan te vullen. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in zijn geheel vervangen op na te melden wijze. Ten slotte worden de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de Douane Eindhoven, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , buitengewoon opsporingsambtenaren van de Douane, proces-verbaalnummer 2024650046141, gesloten 16 juli 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie en de Douane met daarin gerelateerde bijlagen, met digitale dossierpagina’s 1 tot en met 27.
1 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2024 (pg. 9-14), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op dinsdag 23 januari 2024, om 09.25 uur, was ik doende met de doorzoeking van perceel [adres] , gemeente Echt-Susteren. Omstreeks 09.45 uur werd verdachte [verdachte] , ook eigenaar van de woning en het gehele perceel, aangehouden.
Bij de voorgeleiding gaf verdachte [verdachte] aan dat wij toestemming kregen om zijn gehele woning, perceel en bijgebouwen te doorzoeken.
In de slaapkamer werden de volgende zaken aangetroffen:
Buitenlandse sigaretten.
Zware Van Nelle shag, 365 pakken totaal 18.250 gram.
Camel sigaretten, 39 pakken totaal 1.560 sigaretten.
Marlboro XXL, 15 pakken totaal 600 sigaretten.
Marlboro normaal, 42 pakken totaal 820 sigaretten.
Deze rookwaren werden in beslag genomen en overgedragen aan de Douane, die nog een
apart proces verbaal opmaken.
2 De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2300-2023192562-66 (pg. 15-16), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [adres] , binnen de gemeente Echt-Susteren
Datum en tijd: 23 januari 2024
Omstandigheden: Aangetroffen tijdens zoeking op [adres] .
Beslagene
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1983
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Volgnummer 1
Goednummer: PL2300-2023192562-1674436
Object: Rookwaar (Shag)
Aantal: 365 stuks
Totale hoeveelheid: 18250 g
Inhoud/specificatie: Zware van Nelle 365 stuks van 50 gram
Volgnummer 2
Goednummer: PL2300-2023192562-1674439
Object: Rookwaar (Sigaretten)
Aantal/eenheid: 1560 stuks
Bijzonderheden: Camel 39 pakken van 40 stuks
Volgnummer 3
Goednummer: PL2300-2023192562-1674441
Object: Rookwaar (Sigaretten)
Aantal/eenheid: 600 stuks
Bijzonderheden: Malboro (het hof begrijpt: Marlboro) xxl 15 pakken van 40 stuks
Volgnummer 4
Goednummer: PL2300-2023192562-1674442
Object: Rookwaar (Sigaretten)
Aantal/eenheid: 840 stuks
Bijzonderheden: Malboro (het hof begrijpt: Marlboro) 42 pakken van 20
3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 mei 2024 (pg. 22-23), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
V) = vraag verbalisanten
A) = antwoord verdachte
V) Op 23 januari 2024 zijn er door de politie (365 pakken) 18,250 kilogram zware van Nelle en 96 pakjes sigaretten aangetroffen in uw woning aangetroffen, bent u de eigenaar van deze tabak en sigaretten?
A) Ik ben daar de eigenaar van.
V) Waar heeft u de tabak en sigaretten gekocht en wat heeft u betaald?
A) Ik heb ze in Luxemburg gehaald
4 Een aanvullend proces-verbaal d.d. 24 april 2025 (los gevoegd) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Vergunning:
uit raadpleging van de geautomatiseerde systemen van de douane kwam naar
voren dat op dag, datum en tijdstip van het aantreffen van de tabaksproducten
op het adres [adres] gelegen in de Nederlandse gemeente Echt-Susteren:
noch voor de woning gelegen op het adres [adres] ;
noch voor andere opstallen gelegen op het perceel behorende bij het adres [adres] ;
noch op naam van de persoon [verdachte] geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] en wonende op het adres [adres] ,
door de douane een vergunning Accijns Goederen Plaats (AGP) was afgegeven voor de
opslag of het voorhanden mogen hebben van een accijnsgoed, al dan niet onder
schorsing, dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing
is betrokken.
5 Een opname van beeld als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de foto’s genummerd 1 t/m 5 van het ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde fotoblad, met proces-verbaal nummer 2023092562-20, inhoudende:
De foto’s genummerd 1 tot en met 5 van het fotoblad waarop meerdere kartonnen dozen zijn te zien, welke tot aan de rand toe zijn gevuld met sloffen tabak. De sloffen zijn strak naast elkaar in rijen in de dozen verpakt.
Aanvullende bewijsoverwegingen
De raadsman heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit en daartoe – in de kern bezien – het in eerste aanleg ten overstaan van de politierechter gevoerde, tot vrijspraak strekkende, verweer herhaald. Dat verweer behelst, samengevat weergegeven, dat de in de woning van de verdachte aangetroffen rooktabak en sigaretten voor eigen gebruik waren van de verdachte en zijn partner en dat daarom over de tabak en sigaretten in Nederland geen accijns verschuldigd was.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof heeft de politierechter in het vonnis waarvan beroep het verweer van de verdediging op goede gronden verworpen. Het hof schaart zich achter de overwegingen van de politierechter en maakt deze tot de zijne. In navolging van de politierechter, acht ook het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de rooktabak en de sigaretten voor eigen gebruik waren van de verdachte en zijn partner, ongeloofwaardig. Daartoe neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de accijns is door een particulier geen accijns verschuldigd over voor eigen behoeften verkregen en door henzelf vanuit een andere lidstaat naar Nederland vervoerde accijnsgoederen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt, dat indien de hoeveelheid accijnsgoederen een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, de goederen geacht worden anders dan voor eigen behoeften voorhanden te worden gehouden, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.
In artikel 2d, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling accijns zijn vorenbedoelde hoeveelheden per persoon vastgesteld op 200 sigaretten en 1 kilogram rooktabak. Voor de verdachte en zijn partner samen bedraagt het maximum derhalve 400 sigaretten en 2 kilogram rooktabak.
In de woning van de verdachte heeft de politie 18,25 kilogram rooktabak en 3.000 sigaretten aangetroffen. Aldus overschrijden de aangetroffen hoeveelheden rooktabak en sigaretten voormelde hoeveelheden zeer aanzienlijk en dienen de rooktabak en sigaretten om die reden te worden geacht anders dan voor eigen behoeften voorhanden te worden gehouden. Naar het oordeel van het hof is de verdachte er niet in geslaagd om het tegendeel aan te tonen. Evenmin is zulks anderszins uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gebleken.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij en zijn partner om de twee weken naar Luxemburg reden en daar de maximaal per persoon toegestane hoeveelheid rooktabak en sigaretten kochten, te weten 1 slof rooktabak en 2 sloffen sigaretten. In totaal kochten zij 2 sloffen rooktabak en 4 sloffen sigaretten. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn partner elk een slof per week rookten. Gelet op de omvang van de aangetroffen voorraad rooktabak en sigaretten, die volgens de verdachte dus tweewekelijks werd aangevuld, acht het hof het uiterst onwaarschijnlijk dat de verdachte en zijn partner deze - voor eigen gebruik zeer grote en tweewekelijks aangevulde - voorraad voor eigen gebruik zouden hebben aangehouden. De advocaat-generaal heeft ter zitting op basis van wettelijke uitgangspunten berekend dat als de aangetroffen voorraad niet – zoals de verdachte wel stelt – zou worden aangevuld, de verdachte en zijn partner ongeveer 471 dagen nodig zouden hebben om die voorraad op te roken. De verklaringen van de verdachte laten zich aldus niet rijmen met de in zijn woning aangetroffen zeer omvangrijke voorraad rooktabak en sigaretten.
Voorts acht het hof de wijze waarop de tabak was verpakt redengevend voor het oordeel dat de rooktabak en de sigaretten anders dan voor eigen behoeften voorhanden werden gehouden. De sloffen rooktabak waren netjes en strak gestapeld verpakt in kartonnen dozen, die precies afgevuld waren en daarmee de indruk wekten uit de fabriek of de groothandel afkomstig te zijn. Een dergelijke, op het oog groothandelsverpakking, in samenhang bezien met de forse omvang van de voorraad, acht het hof moeilijk verenigbaar met het door de verdachte gestelde tweewekelijke aankopen van slechts twee sloffen rooktabak en slechts vier sloffen sigaretten voor eigen verbruik.
Het hof verwerpt daarom het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid tabaksproducten (sigaretten en rooktabak) die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing waren betrokken. Het handelen van de verdachte houdt, naar het oordeel van het hof, verband met de handel in onveraccijnsde rooktabak en/of sigaretten, waarbij voor een groot bedrag aan accijns in Nederland is ontdoken. De schatkist van de Staat der Nederlanden is daardoor benadeeld. Daarnaast is de handel in onveraccijnsde tabakswaren concurrentievervalsend en werkt dergelijke handel ontwrichtend op het systeem van de interne markt die in de Europese Unie wordt nagestreefd. Voorts wordt daarmee het in de lidstaten van de Europese Unie gevoerde beleid om door hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen teneinde de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken gefrustreerd. De verdachte heeft zich van dat alles niets aangetrokken en slechts gehandeld uit het oogpunt van eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, zij het evenwel geruime tijd geleden, alsmede ter zake van andersoortige feiten als het onderhavige, zodat het hof met deze omstandigheid thans niet in strafverzwarende zin rekening houdt.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband naar voren gebracht dat hij momenteel werk heeft en dat hij en zijn partner financieel net kunnen rondkomen. Er is sprake van schuldenproblematiek en ook kampt de verdachte met gezondheidsproblemen.
Door de douane is becijferd dat het fiscaalrechtelijke nadeel aan misgelopen accijns en omzetbelasting € 6.051,21 bedraagt. Het hof heeft bij het bepalen van de strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen, die bij fraude – met inbegrip van fiscale fraude – tot een benadelingsbedrag van € 10.000,- uitgaan van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de bandbreedte van 1 week tot 2 maanden, dan wel de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf.
Alles afwegende, acht het hof in dit geval de oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof, mede gelet op de ernst van het feit en het vorenoverwogene, geen grond om de taakstraf deels voorwaardelijk te doen zijn en aldus komt het hof tot een hogere straf dan die welke de advocaat-generaal heeft gevorderd.
Beslag
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de teruggave aan de verdachte te gelasten van inbeslaggenomen voorwerpen. Het hof begrijpt dat de raadsman doelt op de rooktabak en sigaretten.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de politierechter geen beslissing heeft genomen omtrent het beslag. Nu de bij de stukken gevoegde beslaglijst – ook na navraag door de administratie van het hof –geen melding maakt van inbeslaggenomen voorwerpen, acht het hof thans geen termen aanwezig om overeenkomstig het standpunt van de raadsman te beslissen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, zulks met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. J.C. Gillesse en mr. P.J. Wattel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier
en op 24 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.