Hof 's-Hertogenbosch 9 september 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2438

Hogerberoepschrift niet tijdig ingediend. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/205 tot en met 24/212
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 december 2023, nummers BRE 22/2251 tot en met 22/2258, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie
volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en is voor het jaar 2018 een verzuimboete opgelegd.

1.2 Belanghebbende heeft bij vier afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft één uitspraak gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen deels gegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.5 Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.

1.6 De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7 Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1 Een afschrift van de uitspraak van de rechtbank is verzonden aan partijen op 22 december 2023. In de uitspraak staat dat het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden.

2.2 De gemachtigde van belanghebbende (hierna ook: belanghebbende) heeft bij brief met dagtekening 5 februari 2024, met poststempel van 5 februari 2024 en ingekomen bij de griffie van het hof op 6 februari 2024, pro forma hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In het hogerberoepschrift staat:
“Ondergetekende gaat namens cliënt in Hoger Beroep tegen bovengenoemde uitspraken op beroep. Wij doen dit pro-forma omdat wij op dit moment nog een aantal zaken van de derden (o.a. de belastingdienst) moeten ontvangen. Wij verwachten voor 28 februari 2024 te ontvangen, waarna wij gemotiveerd kunnen reageren. Op 10 januari 2024 heeft de heer [belanghebbende] reeds persoonlijk de bijvoegde brief naar de belastingdienst gestuurd inzake uitstel betaling en hoger beroep gang.
Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd (…)”.

2.3 Als bijlage bij dit hogerberoepschrift is een brief van belanghebbende met dagtekening 10 januari 2024 aan de Belastingdienst, team invordering, overgelegd waarin het volgende is vermeld:
“Betreft: bezwaar kenmerk [kenmerk]
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij dien ik een bezwaar in tegen de brief van 5-1-2024 betreffende kenmerk [kenmerk] mbt betaling aanslagen 2015, 2016, 2017 en 2018 (zie bijgevoegde kopie)
Over de jaren 2015 en 2016 is een uitspraak van de rechtbank over vermindering van de aanslagen en deze zijn in mijn ogen en die van mijn belastingadviseur nog niet toegepast/gewijzigd! Nog geen correctie aanslag gehad hierover!
Over de jaren 2017 en 2018 is er ook een uitspraak maar hierover gaan we in hoger beroep omdat wij het niet eens zijn met deze uitspraak! Mijn belastingadviseur is reeds me bezig
met de aanvraag hoger beroep!
Bij deze vraag ik u dan ook om uitstel van betaling te handhaven tot dat alles duidelijk is!
Hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben (…)”.

2.4 Het hof heeft in een brief van 21 februari 2024 aan belanghebbende geschreven dat het hogerberoepschrift uiterlijk op 2 februari 2024 in het bezit van het hof moest zijn en dat ten aanzien van een te laat ingediend hogerberoepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het hof heeft belanghebbende verzocht om de reden(en) te geven waarom niet uiterlijk 2 februari 2024 het hogerberoepschrift is ingediend.

2.5 Belanghebbende heeft in een brief van 4 maart 2024 aan het hof geschreven:
“Wij hebben door de Kerst pas kennis kunnen nemen van de uitspraak op 27 december 2023, waardoor de deadline in onze beleving 6 februari 2024 zou zijn. U komt uit op 2 februari 2024, hetgeen betekend dat de termijnoverschrijding uwerzijds gerekend 3 dagen is. (…)
De heer [belanghebbende] had bij mij aangegeven dit hoger Beroep door een gespecialiseerde fiscale belastingadviseur te laten indienen. Aangezien ik termijnen, gezien de omstandigheden in de gaten houdt, heb ik hem op maandag 5 februari 2024 gebeld of de zaak was ingediend. Hij was dit door alle problematieken vergeten waardoor ik per 5 februari een proforma heb ingediend inzake. De heer [belanghebbende] wordt geconfronteerd met belastingaanslagen van meer dan € 250.000,- hetgeen enorme psychische en sociale gevolgen met zicht mee hebben gebracht. Hier is dus sprake van zeer grote gevolgen voor de heer [belanghebbende] en zijn gezin, waarbij een persoonlijk faillissement boven zijn hoofd hangt.
Wij verzoeken u alsnog het hoger Beroep te accepteren op grond van vorenstaande.”

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1 Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2015 tot en met 2018, de beschikkingen belastingrente en de verzuimboete tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

3.2 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.1 Het hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.

4.2 Bij deze beoordeling gaat het hof uit van het volgende. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd.

4.3 Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien:
(i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens
(ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
Of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen.

Niet-tijdig indienen

4.4 De rechtbank heeft op 19 december 2023 uitspraak gedaan. Een afschrift van de uitspraak is op 22 december 2023 aan partijen verzonden. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak op de voorgeschreven wijze. De dag na de bekendmaking vangt de termijn voor het instellen van hoger beroep aan. De hogerberoepstermijn is in dit geval dus aangevangen op 23 december 2023 en eindigde zes weken later, op 2 februari 2024. Het hogerberoepschrift is echter gedagtekend op 5 februari 2024, heeft een poststempel van 5 februari 2024 en is op 6 februari 2024 door de griffie van het hof ontvangen. Het hogerberoepschrift is dus niet vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post bezorgd en evenmin voor het einde van die termijn ingekomen bij de griffie van het hof. Dat betekent dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Verschoonbare termijnoverschrijding?

4.5 Volgens belanghebbende is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij heeft pas op 27 december 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank vanwege kerst en in zijn beleving was de deadline voor het hoger beroep daarom 6 februari 2024. Het hof volgt belanghebbende hierin niet.

4.6 Belanghebbende wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde, van wie mag worden verlangd dat hij weet dat het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden, zoals ook in de uitspraak van de rechtbank is vermeld. Daarbij komt het volgende.

4.7 Belanghebbende heeft aangegeven het hoger beroep te willen laten indienen door een belastingadviseur, maar toch hield zijn gemachtigde de termijnen zelf in de gaten (zie 2.5). De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat hij aan het einde van het jaar veel in het buitenland verblijft en het daarom praktischer was dat belanghebbende in hoger beroep door iemand anders werd bijgestaan. Hij heeft na terugkomst uit het buitenland aan belanghebbende gevraagd of hoger beroep was ingesteld, en dit vervolgens direct zelf gedaan omdat belanghebbende was vergeten een andere gemachtigde te benaderen. Het hof is van oordeel dat, voor zover hierdoor een termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden, het risico daarvan rust bij belanghebbende.

4.8 Van belanghebbende, die in beroep en in hoger beroep werd bijgestaan door dezelfde gemachtigde, kon in redelijkheid worden gevergd om tijdig beroep in te (laten) stellen. Niet gebleken is dat hij daar wegens persoonlijke, of andere omstandigheden niet in staat toe zou zijn geweest. Integendeel, belanghebbende wist dat hoger beroep moest worden ingesteld en zou daarvoor zelf een belastingadviseur benaderen, maar is dit vergeten. En de gemachtigde van belanghebbende hield de termijnen in de gaten, maar is daarbij ten onrechte uitgegaan van een termijn tot uiterlijk 6 februari 2024 in plaats van 2 februari 2024 (zie 2.5).

4.9 Belanghebbende heeft wel zelf een brief van 10 januari 2024 aan team invordering van de Belastingdienst gestuurd, waarin hij bezwaar maakt tegen de betaling van de aanslagen voor de jaren 2015 tot en met 2018 (zie 2.3). In die brief stelt hij dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan over de vermindering van de aanslagen voor de jaren 2015 en 2016, maar dat hij nog geen gecorrigeerde aanslagen heeft gehad. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de rechtbank over de jaren 2017 en 2018 ook uitspraak heeft gedaan, maar dat hiertegen in hoger beroep wordt gegaan en zijn belastingadviseur daarmee bezig is. Belanghebbende verzoekt om het uitstel van betaling te handhaven, totdat ‘alles duidelijk is’.

4.10 De brief van 10 januari 2024 kan naar het oordeel van het hof niet als hogerberoepschrift worden beschouwd, omdat de brief niet duidelijk maakt dat daarmee hoger beroep wordt ingesteld. De brief komt er volgens het hof op neer dat belanghebbende uitstel van betaling wil (behouden), omdat nog hoger beroep zou worden ingesteld en hij de uitkomst daarvan wilde afwachten. Team invordering van de Belastingdienst hoefde de brief dan ook niet aan te merken als een hogerberoepschrift en die door te zenden naar het hof.

4.11 Overige redenen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken zijn niet gebleken. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, waaronder de omstandigheid dat de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2018 zeer grote financiële, psychische en sociale gevolgen voor hem en zijn gezin hebben en hij mogelijk persoonlijk in staat van faillissement kan worden verklaard.

4.12 Het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.

Tussenconclusie

4.13 De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14 Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15 Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, A.J. Kromhout en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

V.J. Weekers M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken