Hof 's-Hertogenbosch 21 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:142

Belanghebbende verkrijgt, samen met anderen, via een geldlening (€ 550.000) met [Fonds] het economische belang bij aandelen in [bedrijf 2a]. Bij het sluiten van de leningovereenkomst is ook een optieregeling (call-optie) overeengekomen, op grond waarvan [bedrijf 1]een call-optie verkrijgt op 20% van de vordering. De uitoefenprijs bedraagt € 110.000. In 2014 zijn de helft van de aandelen verkocht. In 2018 zijn de resterende aandelen verkocht. Het hof is van oordeel dat belanghebbende in 2011 via de geldlening het economische belang bij 10,605% van de aandelen [bedrijf 2a] heeft verkregen. Op 20% daarvan rust – via de leningovereenkomst – een optie ten gunste van [bedrijf 1]. Na de verkoop in 2014 heeft belanghebbende nog een belang van 5,3%, indien geen rekening wordt gehouden met de optie. In ieder geval staat tussen partijen vast dat ten aanzien van 4,24% (80% x 5,3%) het volledige economische belang bij belanghebbende berust. Volgens belanghebbende behoort niet het volledige economische belang bij het deel waarop de optie rust hem toe, en is om die reden sinds 2014 geen sprake meer van een aanmerkelijk belang. Het hof oordeelt dat belanghebbende op grond van de leningovereenkomst tot de uitoefening van de optie gerechtigd is tot alle voordelen die worden behaald met (de economische eigendom van) de aandelen. Belanghebbende heeft daarom een genotsrecht op die aandelen als bedoeld in artikel 4.3 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 5.22, lid 3, Wet IB 2001. De genotsgerechtigde wordt gelijkgesteld met een aandeelhouder en de gerechtigdheid met een aandeel. Het belang van belanghebbende bedraagt dus 5,3% en het in 2018 genoten voordeel uit de vervreemding van de aandelen vormt inkomen uit aanmerkelijk belang.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken