Hof 's-Hertogenbosch 22 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1081
Vennootschapsbelasting. Earningstrippingmaatregel. Belanghebbende is een factoringsmaatschappij binnen het concern. Zij neemt handelsvorderingen op derden over van groepsvennootschappen op non-recourse basis. De handelsvorderingen worden overgenomen tegen de nominale waarde minus een zogenoemde factoring fee. Het verschil tussen de aankoopprijs en de hetgeen op de vorderingen wordt voldaan, komt tot uitdrukking in het resultaat van belanghebbende. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het door belanghebbende met haar factoring-activiteiten gerealiseerde resultaat – meer specifiek: het Reference Rate onderdeel daarvan – kwalificeert als rentebaten ter zake van geldleningen in de zin van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb. Bij ontkennende beantwoording is de vraag aan de orde of het Reference Rate onderdeel toch als rentebate in aanmerking moet worden genomen omdat Nederland de ATAD 1-Richtlijn onjuist zou hebben geïmplementeerd. Het hof oordeelt dat tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Voorts oordeelt het hof dat op de handelsvorderingen geen rente wordt betaald indien binnen 90 dagen wordt betaald, hetgeen hier het geval is. Van een rentebate voor het bepalen van het rentesurplus is dan ook geen sprake. Volgens het hof wordt in de definities van artikel 2 van de ATAD 1-Richtlijn verwezen naar het nationale recht. Reeds om die reden kan van een te beperkte implementatie geen sprake zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl