Hof 's-Hertogenbosch 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2772
Belanghebbende heeft van zijn ouders in 2014 een schenking ontvangen voor zijn eigen woning. Deze schenking is vrijgesteld geweest ogv de destijds geldende eenmalig verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor een schenking tbv de eigen woning. Voor de tweede schenking (2018) waarvan de schenkers en de begiftigde dachten dat deze ook was vrijgesteld in verband met de eigen woning heeft de inspecteur de aanslag schenkbelasting opgelegd. De schenking is door belanghebbende aan zijn ouders terugbetaald. Het hof past het arrest van de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:1 toe en is van oordeel dat belanghebbende voldoende aanknopingspunten voor de gestelde wederzijdse dwaling heeft verschaft. Dat de bij de schenkingsovereenkomst en het beroep op vernietiging betrokken partijen het beroep op vernietiging van de schenkingsovereenkomst slechts hebben voorgewend wordt niet aannemelijk geacht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanslag schenkbelasting (2018) ogv art 53 Successiewet dient te worden verminderd naar nihil.
De uitspraak op rechtspraak.nl