Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1269
Belanghebbende was voor 50% aandeelhouder van de splitsende vennootschap. Wegens verschil van inzicht met de andere aandeelhouder is besloten de splitsende vennootschap te splitsen. Bij de zuivere juridische splitsing heeft belanghebbende een nieuwe vennootschap opgericht aan wie al het onroerend goed van de splitsende vennootschap is toebedeeld. De nieuwe vennootschap kwalificeert als een onroerend-goedlichaam in de zin van artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). De inspecteur heeft in verband met de uitreiking van de aandelen in het onroerend-goedlichaam aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR van toepassing is, omdat onder “verkrijging” in de zin van dat artikel ook de verkrijging van de aandelen in de nieuwe vennootschap door belanghebbende moet worden gerekend. Het beroep is gegrond. De inspecteur heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Het hof is onder meer van oordeel dat de tekst van artikel 15, lid 1, letter h, WBR in samenhang gelezen met artikel 5c UBBRV niet aan de toepassing van de vrijstelling voor de tweede verkrijging in de weg staat. Het hof stelt verder vast dat de wetgever de situatie dat een lichaam in de zin van artikel 4 WBR als gevolg van de splitsing ontstaat, niet onder ogen heeft gezien. Het hof zal dan ook aanknopen bij de tekst van de wet en is dan ook van oordeel dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting in dit geval van toepassing is. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl