Hof 's-Hertogenbosch 25 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3010
Belanghebbende is op 5 maart 2020 door de strafkamer van het hof veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt, bezit van hennep, hennephandel, diefstal, het bezit van een vuurwapen, witwassen en het leiding geven aan een criminele organisatie. De strafrechter heeft in het kader van een ontnemingsvordering tevens het wederrechtelijke voordeel vastgesteld dat belanghebbende in de jaren 2006 tot en met 2012 zou hebben behaald. De inspecteur heeft voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende stelt dat het door de strafrechter vastgestelde wederrechtelijke voordeel doet blijken dat het bij de navorderingsaanslag in aanmerking genomen inkomen te hoog is vastgesteld. Het hof oordeelt dat de verzwaarde en omgekeerde bewijslast toegepast moet worden en dat belanghebbende niet aan de bewijslast heeft voldaan dat hij moet doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Het vastgestelde wederrechtelijke voordeel ziet op een periode betreft van 1 januari 2006 tot en met 24 januari 2012, zonder dat het wederrechtelijk voordeel is toegerekend aan de afzonderlijke jaren in deze periode. Daarmee geeft het in beperkte mate inzicht in het inkomen van belanghebbende in het jaar 2011. Daarnaast biedt het vonnis van de strafrechter naar oordeel van het hof weliswaar een aanwijzing dat het inkomen van belanghebbende lager zou kunnen liggen dan door de inspecteur is vastgesteld, maar het door de strafrechter vastgestelde wederrechtelijke voordeel is slechts een schatting die niet uitsluit dat het daadwerkelijke voordeel (aanzienlijk) hoger is geweest.
De uitspraak op rechtspraak.nl