Hof 's-Hertogenbosch 26 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2076

Belanghebbende is een B.V. De drie bestuurders van de B.V. zijn bij oprichting middelijk aandeelhouders geworden en houden ieder een belang van 5% via persoonlijke houdstervennootschappen (waarvan zij directeur-grootaandeelhouder zijn). De overige 85% van de aandelen worden gehouden door investeerders. Bij oprichting zijn de bestuurders in privé benoemd tot statutair bestuurder van belanghebbende. De inspecteur heeft toepassing van de doorbetaaldloonregeling op grond van artikel 32d van de Wet op de loonbelasting geweigerd omdat de bestuurders in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot belanghebbende staan en niet uit hoofde van hun hoofddienstbetrekking bij hun persoonlijke houdstervennootschappen werkzaam zijn bij belanghebbende. Naar het oordeel van het hof is niet van belang of de bestuurders in een privaatrechtelijke dan wel een fictieve dienstbetrekking tot belanghebbende staan en verrichten de bestuurders uit hoofde van hun dienstbetrekking met hun persoonlijke houdstervennootschappen werkzaamheden voor belanghebbende. Het feit dat zij in privé zijn benoemd tot statutair bestuurder maakt dit niet anders. Omdat sprake is van een structuur met meerdere aandeelhouders, is de zakelijkheidstoets op grond van artikel 32d, lid 1, letter b, laatste volzin, Wet op de loonbelasting van toepassing. Volgens het hof leidt het feit dat de investeerders strategische en ondernemingsadviezen mogen geven er niet toe dat er voor de bestuurders geen ruimte blijft voor het bepalen van het beleid van de vennootschap. Naar het oordeel van het hof komen het belang van de bestuurders in belanghebbende en hun werkzaamheden hiervoor grotendeels overeen met de situatie indien sprake zou zijn van een commanditaire vennootschap en is daarom voldaan aan de zakelijkheidstoets. De inspecteur heeft tevens aangevoerd dat de doorbetaaldloonregeling ingeval van een echte privaatrechtelijke dienstbetrekking slechts toegepast kan worden als de persoonlijke houdstervennootschappen de volledige van belanghebbende ontvangen managementvergoeding als loon uitbetalen aan de bestuurders (“doorstootverplichting”). Het hof is van oordeel dat noch uit de tekst van de wet noch uit de parlementaire toelichting daarop volgt dat voor de toepassing van de doorbetaaldloonregeling een doorstootverplichting als voorwaarde is gesteld en dit de reikwijdte van de doorbetaaldloonregeling zou inperken tot een verlegging van de inhoudingsplicht voor de loonheffingen, hetgeen niet binnen doel en strekking hiervan past. Het hof is van oordeel dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de doorbetaaldloonregeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken