Hof 's-Hertogenbosch 26 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:189
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 30 augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan het samen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, verwerken van hennep en het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. De verdachte heeft in een bedrijfspand in Waalwijk, samen met haar mededaders, hennep verwerkt en (daartoe) een grote hoeveelheid hennep opzettelijk voorhanden gehad. Door de verdediging is bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht door aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte hennep heeft verwerkt en voorhanden heeft gehad ten behoeve van de bevoorrading van diverse coffeeshops. De verdachte heeft het bewezenverklaarde derhalve begaan in het kader van de reguliere en gedoogde exploitatie van (bovendien) bonafide coffeeshops. Aldus is in deze zaak de zogeheten ‘achterdeurproblematiek’ aan de orde en in dat licht is geen redelijk doel (meer) gediend met bestraffing van de verdachte. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, doch op andere dan door de verdediging aangevoerde gronden, geeft het hof toepassing aan het bepaalde in artikel 9a Sr en bepaalt dat geen straf of maatregel aan de verdachte wordt opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl