Hof 's-Hertogenbosch 15 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:898
Partiële buitenlandse belastingplicht, artikel 2.6 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 11 UBIB 2001. In geschil is of de regeling van de partiële buitenlandse belastingplicht van rechtswege van toepassing is. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is en dat toepassing van de regeling een (actieve) keuze vereist. Wat belanghebbende in hoger beroep daartoe verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Een juiste wetstoepassing wordt niet opzij gezet door schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij belanghebbende kan door het niet opnemen van het inkomen uit sparen en beleggen in de ambtshalve aanslagen, mede vanwege het karakter daarvan, niet de indruk zijn gewekt dat de inspecteur belanghebbende in die jaren heeft aangemerkt als partieel buitenlandse belastingplichtige. Van een (impliciete) standpuntbepaling van de inspecteur is dan ook geen sprake, dat (gemachtigde van) belanghebbende in eerdere jaren wel heeft gekozen voor toepassing van de regeling leidt evenmin tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Het beroep van belanghebbende op schending van het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Allereerst is het bestaan van niet gepubliceerd begunstigend beleid niet aannemelijk gemaakt (waardoor ook het beroep van belanghebbende op schending van artikel 8:42 Awb niet slaagt). Van de vijf door belanghebbende aangevoerde gevallen is slechts één geval begunstigend behandeld, het hof acht aannemelijk dat die behandeling berust op een gemaakte fout. Van bewust begunstigend beleid danwel een oogmerk van begunstiging is dan ook geen sprake en ook een beroep op de meerderheidsregel slaagt niet, omdat na afbakening van de relevante groep niet bij een meerderheid een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl