Hof 's-Hertogenbosch 17 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:83
Het hof oordeelt dat op grond van artikel 7:405 lid 1 BW de opdrachtgever loon aan de opdrachtnemer verschuldigd is, indien de overeenkomst door de opdrachtnemer is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Op grond van artikel 7:405 lid 2 BW is, indien de hoogte van het loon niet is bepaald, de opdrachtgever het op gebruikelijke wijze berekende loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. Dat tussen partijen is afgesproken dat de werkzaamheden op toevoegingsbasis zouden worden verricht en dat deze toevoeging achteraf is ingetrokken, maakt het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat appellant voor de door geïntimeerde verleende professionele rechtsbijstand – in het geval de toevoegingen zouden worden ingetrokken - geheel geen loon verschuldigd zou zijn. Bij het ontbreken van een afspraak hierover, geldt in beginsel onverkort dat appellant geïntimeerde het op gebruikelijke wijze berekende loon, dan wel een redelijk loon verschuldigd is. Het hof gaat daarnaast in op de door appellant tegen de declaraties van geïntimeerde opgeworpen bezwaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl