Hof 's-Hertogenbosch 8 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:482
In deze WOZ-zaak waren in de bezwaarfase werkafspraken tussen het kantoor van de gemachtigde en de heffingsambtenaar gemaakt ter voorkoming van ‘onnodige’ beroepszaken. Door de heffingsambtenaar werd in de bezwaarfase het taxatieverslag verstrekt, maar niet de gevraagde KOUDV- en liggingsfactoren van de vergelijkingsobjecten. In r.o. 4.13. tot en met 4.18 van de uitspraak is uiteengezet dat als een belanghebbende op de hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij informatie mist door het niet toesturen van bepaalde gevraagde stukken, in beginsel mag worden aangenomen dat hij die stukken kennelijk niet (meer) nodig heeft. Het vervolgens (pas) in de beroepsfase wijzen op een schending van artikel 7:4 Awb en/of artikel 40 Wet WOZ wordt dan beschouwd als een schending van de goede procesorde. Het oordeel dat sprake is van een schending van de goede procesorde door belanghebbende, betekent dat niet wordt toegekomen aan de vraag of artikel 7:4 Awb en/of artikel 40 Wet WOZ zijn geschonden en in zoverre is dus geen sprake van een gebrek. De omstandigheid dat de KOUDV- en liggingsfactoren van de vergelijkingsobjecten niet zijn toegestuurd in de bezwaarfase, is dan geen reden voor een gegrond (hoger) beroep (dus ook geen pkv).
De uitspraak op rechtspraak.nl