Hof 's-Hertogenbosch 31 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1793
In artikel 2.5 Regeling Wfsv is opgenomen dat het maximum premie-inkomen niet tijdsevenredig wordt herleid in geval van overlijden. In beginsel is het niet aan de rechter om de innerlijke waarde of billijkheid van een ministeriële regeling te toetsen, omdat die regeling haar grondslag vindt in de wet. Die regeling kan ook niet onverbindend worden verklaard, omdat i) het uitsluiten van de situatie van overlijden een bewuste keuze van de wetgever is geweest en ii) van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen rechtsbeginsel geen sprake is. Het discriminatieverbod uit artikel 1, twaalfde protocol, EVRM is niet geschonden, omdat belanghebbende zich ten opzichte van een emigrerende werknemer niet in vergelijkbare omstandigheden bevindt, gelet op het doel van art. 2.5 regeling Wfsv. Een gestelde schending van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU is evenmin aan de orde. Die verdragsbepalingen zijn niet van toepassing, omdat het hier (ondanks korte werkzaamheden in het buitenland) om een zuiver nationale situatie in de sfeer van de Wfsv gaat. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl