Hof 's-Hertogenbosch 1 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1739
WOZ-zaak. De voor het eerst door belanghebbende ter zitting ingenomen stellingen zijn tardief. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het hof (ook in het licht van wat belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd) aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is. Gemachtigde van belanghebbende heeft zich beklaagd over de late indiening (12 dagen voorafgaand aan de zitting) van het verweerschrift door de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar per brief de mogelijkheid geboden om tot tien dagen voorafgaand aan de zitting een verweerschrift in te dienen. Het hof stelt voorop dat de brief van de rechtbank een onjuiste term voor het gedingstuk bevat, omdat een verweerschrift tijdens het vooronderzoek (dat is afgerond met het versturen van de uitnodigingen voor de zitting) moet worden ingediend. In dit geval moet het gedingstuk worden aangemerkt als nader stuk. Bovendien wordt (de gemachtigde van) belanghebbende in zijn procespositie geschaad, omdat het desgevraagd of ambtshalve gelegenheid geven tot het indienen van een conclusie van repliek feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Ook kan het (de gemachtigde van) een belanghebbende worden bemoeilijkt een adequate reactie te geven. Daar komt bij dat het voor een goede rechtspleging in zijn algemeenheid onwenselijk is dat een dossier zo kort voor de zitting volledig is. De rechtbank handelt met de gehanteerde werkwijze dus wetssystematisch onjuist en in strijd met een goede rechtspleging. Het bij het hof betaalde griffierecht wordt door de griffier terugbetaald. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar noodzakelijkerwijs in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in hoger beroep, maar ziet reden om de proceskostenvergoeding te matigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl