Hof 's-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4059
Periodieke gift, artikelen 6.34 en 6.38 Wet IB 2001. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben gedurende een periode van vijf jaren een periodieke uitkering geschonken aan een ANBI. De schenking is in een notariële akte vastgelegd, waarin ook is bepaald dat de schenking vervalt bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot. Het (gezamenlijk) sterfterisico van de echtelieden was minder dan 1%. In geschil is of de periodieke uitkering is aan te merken als een periodieke gift of als een eenmalige gift. Uit de huidige wettekst en artikel 47 Wet IB 1964, en uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat nog steeds ten aanzien van het overlijdensrisico het vereiste geldt van een materiële onzekerheid, waarvan sprake is bij een kans op overlijden gedurende de looptijd van ongeveer 1%. De door belanghebbende gestelde onzekerheid bestaande uit het verlies van de ANBI-status acht het hof onvoldoende buiten de invloedssfeer van belanghebbende gelegen en bovendien onvoldoende te kwantificeren. Het beroep door belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl