Hof 's-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3851

Belanghebbende woont in Nederland en werkt in het kader van een leidinggevende functie voor concernvennootschappen in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Hij is in dienstbetrekking bij een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, maar werkt ook voor een in Duitsland gevestigde vennootschap. In geschil is of die Duitse vennootschap belanghebbendes (materiële) werkgever in verdragszin is. De rechtbank heeft die vraag beantwoord aan de hand van een van bestaande jurisprudentie afwijkende benadering. Het hof beoordeelt de merites daarvan en volgt de benadering van de rechtbank niet. Het hof komt wel tot een OESO-conforme invulling van het materiële werkgeverschap. Die houdt onder meer in dat het vereiste van geïndividualiseerde doorbelasting van loonkosten niet als conditio sine qua non voor dat werkgeverschap wordt beschouwd, maar als één van de daarvoor relevante criteria. Het hof acht in het onderhavige geval niet aannemelijk dat belanghebbende in een gezagsrelatie tot de in Duitsland gevestigde vennootschap werkte. Belanghebbendes arbeidsbeloning is ook niet geïndividualiseerd doorbelast aan die vennootschap. Omdat de in Duitsland gevestigde vennootschap niet als materiële werkgever van belanghebbende kan worden beschouwd, heeft hij geen recht op een voorkoming van dubbele belasting voor een gedeelte van zijn arbeidsbeloning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken