Hof 's-Hertogenbosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2357
Jaren 2012, 2013 en 2014: Inkomstenbelasting (artikelen 3.81 en 7.2 Wet IB 2001), Loonbelasting (artikelen 10, 11, 18, 19b en 38b Wet LB), artikel 18 Belastingverdrag met België, nieuw feit (artikel 16 AWR), vergrijpboeten (artikel 67e AWR), schending artikel 1 EP bij het EVRM en artikel 21 VwEU. Belanghebbende, woonachtig in België, ontvangt uitkeringen van een in Nederland gevestigde (pensioen)BV. Het vermogen in de BV is opgebouwd ten laste van de door een Nederlandse vennootschap behaalde fiscale winst. Het hof is van oordeel dat Nederland mag heffen over de door belanghebbende genoten uitkeringen ingevolge een pensioenregeling die achteraf bezien onzuiver blijkt te zijn. Vervolgens oordeelt het hof dat het belastingverdrag de heffing over het pensioen aan Nederland toewijst. De inspecteur beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Terecht belastingrente in rekening gebracht en geen sprake van een individuele buitensporige last. Ten aanzien van de boete is sprake van grove schuld. Er is geen sprake van schending van het internationale recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 16 AWR
- Artikel 67e AWR
- Artikel 10 LB
- Artikel 11 LB
- Artikel 18 LB
- Artikel 19 LB
- Artikel 19b LB
- Artikel 27 LB
- Artikel 38b LB
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 3.81 Wet IB 2001
- Artikel 7.2 Wet IB 2001
- Artikel 10.4 Wet IB 2001
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:639
- HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2561
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082
- HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165
- HR 20 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9089
- HR 8 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5535
- HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:713
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:894