Hof 's-Hertogenbosch 24 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1053
In deze zaak hebben twee fruittelers het Waterschap aansprakelijk gesteld voor de wateroverlast op hun percelen ten gevolge van extreme regenval in juli 2014. Bij pleidooi heeft het Waterschap zich beroepen op de niet-ontvankelijkheid van een van appellanten, een maatschap. Gebleken is dat de maatschap inmiddels is ontbonden en uit een akte van lastgeving blijkt dat alle activa en passiva van de maatschap zijn overgedragen aan een V.O.F. Dit betekent dat er geen materieel procesbelang meer is, aldus het Waterschap. Het hof verwerpt dit verweer, kort gezegd, omdat uit de overeenkomst van lastgeving blijkt dat de V.O.F. bevoegd is de vordering namens de maatschap in te stellen c.q. te vervolgen (zie ook HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112). Het Waterschap heeft voorts bezwaar gemaakt tegen een kort voor het pleidooi door appellanten overgelegd rapport. Het hof passeert dit bezwaar, omdat dit rapport niet eerder kon worden overgelegd. Nu van het Waterschap gezien het tijdstip waarop het rapport is overgelegd, namelijk kort voor Kerst en Oud en Nieuw, niet kon worden verwacht daarop ter zitting (voldoende) adequaat te reageren, wordt het Waterschap in de gelegenheid gesteld daarop bij antwoordmemorie te reageren. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl