Hof 's-Hertogenbosch 30 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3254
Belanghebbende voert in hoger beroep een groot aantal grieven aan, te weten: - Is het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 door de Inspecteur juist vastgesteld? - Heeft belanghebbende bij de Rechtbank een onpartijdige behandeling gehad? - Heeft de Rechtbank terecht bepaalde deskundigen niet opgeroepen? - Heeft belanghebbende recht op een nieuwe behandeling van het bij de Hoge Raad ingediende wrakingsverzoek? - Heeft belanghebbende recht op een dwangsom van maximaal € 1.260? - Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)? - Heeft belanghebbende recht op vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht? - Heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding? Het Hof oordeelt dat de Inspecteur het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld, dat belanghebbende bij het Hof niet kan klagen over een onpartijdige behandeling bij de Rechtbank, dat de Rechtbank voorbij mocht gaan aan het verzoek van belanghebbende om bepaalde deskundigen op te roepen, dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek en belanghebbende bovendien geen belang heeft bij een nieuwe behandeling van het bij de Hoge Raad ingediende wrakingsverzoek, dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom, dat belanghebbende geen recht heeft op een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb, dat belanghebbende reeds een vrijstelling van griffierecht is verleend en dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl