Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1573
Belanghebbende, een woningcorporatie, heeft voor het jaar 2014 op aangifte een bedrag aan verhuurderheffing voldaan. Het Hof oordeelt dat de verhuurderheffing op regelgevingsniveau niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP). Ook wordt overwogen dat twintig op 1 januari 2014 leegstaande en voor verkoop of sloop bestemde woningen die na 31 augustus 2014 maar vóór 31 december 2014 zijn verkocht of gesloopt, geen onderdeel van de heffingsgrondslag voor de verhuurderheffing 2014 uitmaken omdat deze woningen op peildatum niet te huur zijn aangeboden. Voor deze woningen geldt dat deze niet voor de verhuur bestemd zijn zoals bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Wmw II. Het Hof leidt dit af uit rechtsoverweging 2.4.4. van het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, nr. 17/04317 (ECLI:NL:HR:2018:1313). De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 19 Wonw
- Artikel 7:201 BW7
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 13 WHT
- Artikel 1.2 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II
- Artikel 1.4 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II
- Artikel 1.6 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II
- Artikel 1.7 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden