Hof 's-Hertogenbosch 15 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:125

Verjaart vordering bank op hoofdschuldenaar in geval van vereenvoudigde afwikkeling faillissement? Maw: is de regel uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 ook van toepassing in geval van een vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement? Dit arrest is het vervolg op het tussenarrest van dit hof van 6 december 2016, in welk arrest de zaak is aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak. In het arrest van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad, kort samengevat, overwogen dat uit artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na de heropening zijn verstreken en dat heropening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. In de onderhavige zaak oordeelt het hof dat deze regel ook van toepassing is in de onderhavige zaak, waarin het faillissement vereenvoudigd is afgewikkeld. Ingeval er een nagekomen bate opkomt, moet in dat geval de vereffening worden heropend op grond van artikel 194 Fw, welk artikel op grond van artikel 137c lid 3 Fw van toepassing is. Uit de artikelen 36, 137c, 137g, 193 en 194 Fw, in verbinding met artikel 3:320 BW, volgt dat een lopende verjaringstermijn niet afloopt zolang een vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van artikel 194 Fw. Dit brengt mee dat ook na een vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement de heropening van de vereffening in faillissement geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken