Hof 's-Hertogenbosch 6 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5166

De Inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van een Maserati Gran Cabrio 4.7 een naheffingsaanslag BPM ter hoogte van € 5.781 opgelegd. Bij de berekening van het CO2-component is de Inspecteur uitgegaan van een CO2 -uitstoot te hoogte van 358 g/km. Belanghebbende doet primair een beroep op toepassing van de “Scandinavische rekenmethode”, welke rekenmethode leidt tot een CO2 -uitstoot van 325 g/km. Subsidiair stelt belanghebbende dat moet worden uitgegaan van een CO2 -uitstoot van maximaal 350 g/km, berekend op basis van artikel 9, lid 11, Wet BPM. Naar het oordeel van het Hof kan de Scandinavische rekenmethode niet toegepast worden, aangezien ter zake van de auto een typegoedkeuring is afgegeven. De verwijzing van belanghebbende naar een lijst met referentievoertuigen faalt, aangezien op de lijst geen referentievoertuigen staan, ingevoerd op of vóór de datum van registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister, waarbij uitgegaan is van een lagere CO2 -uitstoot dan 358 g/km. Om deze reden faalt ook het beroep van belanghebbende op het bepaalde in artikel 9, lid 11, van de Wet BPM. De theoretische mogelijkheid dat er op het moment van invoer/registratie van de auto in Nederland referentievoertuigen rondreden die belast waren naar een lagere CO2 -uitstoot is onvoldoende om de onderhavige auto ook naar een lagere CO2- uitstoot te belasten. Het Hof ziet geen aanleiding om een correctie op de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen wegens het verschil tussen marge- respectievelijk btw-auto’s en officieel respectievelijk parallel ingevoerde voertuigen. Ten slotte overweegt het Hof dat belanghebbende haar beroep op toepassing van een dealerskorting onvoldoende heeft toegelicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken