Hof 's-Hertogenbosch 18 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1636
Milieuzaak. Verdachte heeft, zonder daartoe verleende vergunning, gedurende langere tijd zijn inrichting veranderd en in werking gehad en heeft zich niet gehouden aan gestelde vergunningvoorschriften. Verdachte heeft aanzienlijke hoeveelheden mest van buiten de inrichting aangevoerd en bewerkt. Ook heeft hij zonder vergunning mest gehygiëniseerd. Niet voor niets worden aan dergelijke activiteiten strenge voorwaarden gesteld. Door de niet vergunde verandering c.q. uitbreiding van de activiteiten binnen de inrichting heeft verdachte belemmerd dat er tijdig en vooraf zicht was op de milieuaspecten die de niet vergunde activiteiten met zich brachten of konden brengen. Hij heeft ook degenen die wel volgens de wettelijke voorschriften handelen en kosten maken om dat te doen benadeeld, door voor zichzelf op illegale wijze een concurrentievoordeel te creëren. Het hof houdt bij het bepalen van de op te leggen straf wel rekening met de omstandigheid dat voor een aantal van de bewezenverklaarde gedragingen geldt dat zij gedurende een kortere periode dan in de bewezenverklaring is vermeld hebben plaatsgevonden. Ook houdt het hof rekening met de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat verdachte instructies kreeg om activiteiten af te bouwen en mest te verwijderen, dat dit enige tijd heeft geduurd en dat hij hierover overleg heeft gehad met de provincie. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam aannemelijk is geworden dat verdachte mede door deze strafzaak zijn bedrijf is kwijtgeraakt en hij financieel weinig draagkracht heeft. Het hof veroordeelt verdachte, gelet op het vorenstaande en gelet op een overschrijding van de redelijke termijn, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede tot een aantal voorwaardelijke geldboetes.
De uitspraak op rechtspraak.nl