Hof 's-Hertogenbosch 23 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:702

[Belanghebbende] is opgericht op [datum 1] 1988. Zij bezit alle aandelen in [D] BV (hierna: [D)], opgericht op [datum 2] 1990. Op 18 november 1990 is verzocht om voornoemde vennootschappen aan te merken als een fiscale eenheid voor de Wet OB. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur op 5 februari 1991 een beschikking fiscale eenheid afgegeven. In de administratie van de belastingdienst is opgenomen dat het in de beschikking genoemde btw-nummer aan [belanghebbende] is toegekend en dat de fiscale eenheid geen btw-nummer heeft. Onder de naam van [belanghebbende] en met het omzetbelastingnummer, zoals opgenomen in de beschikking van 5 februari 1991, heeft de fiscale eenheid aangifte gedaan. Na een interne controle bij de belastingdienst heeft de Inspecteur geconstateerd dat de fiscale eenheid geen btw-nummer heeft. Bij brief van 12 december 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende (onder meer) medegedeeld dat hij een nieuw btw-identificatienummer aan belanghebbende zal toekennen. Bij beschikking van 23 december 2013 heeft de Inspecteur per 1 april 2014 de oude fiscale eenheid ontbonden en een nieuwe fiscale eenheid met btw-identificatienummer [nummer 2] opgenomen. Het bezwaar van belanghebbende tegen deze beschikking is op 3 maart 2014 afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat de fiscale eenheid vóór, op en na 23 december 2013 voldeed aan de(zelfde) materiële voorwaarden van artikel 7, lid 4, van de Wet OB. Voormelde actie van de Inspecteur is niet voldoende om een verbreking van de fiscale eenheid te bewerkstelligen (vgl. HR, 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2558). Ook voor een gedeeltelijke herroeping van de beschikking op basis van art. 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bestond geen aanleiding (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:785). Reeds hierom dient de beschikking van 23 december 2013 te worden vernietigd. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond. De beschikking is in het onderhavige geval een tweeledig besluit. In de beschikking tot ontbinden en instellen van de fiscale eenheid ligt immers ook besloten het voornemen om aan de fiscale eenheid een nieuw btw-nummer toe te kennen. Daarmee diende, in de visie van de Inspecteur, de omissie ontstaan door het niet toekennen van een eigen btw-nummer aan de fiscale eenheid in 1991 te worden gecorrigeerd. De onderhavige procedure ziet eveneens op dit onderdeel van het besluit. Het Hof oordeelt dat dit onderdeel alsmede de uitspraak op bezwaar van 3 maart 2014 tot handhaving van deze beslissing “ingevolge de belastingwet” genomen besluiten betreffen. Ten aanzien van dit onderdeel van het geschil bepaalt het Hof dat uitsluitend een vordering kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken