Hof 's-Hertogenbosch 14 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5581
Belanghebbende heeft de Italiaanse nationaliteit en woont sinds medio 1962 in Nederland. Zij was vanaf 1 september 1971 tot 1 september 1997 in dienst bij het Italiaanse consulaat te Rotterdam. In 2011 heeft belanghebbende ter zake van deze dienstbetrekking een Italiaans staatspensioen ter hoogte van € 15.355 ontvangen. In dit jaar heeft belanghebbende werkzaamheden verricht voor een culturele vereniging zonder winstoogmerk en hiervoor een bruto (onkosten)vergoeding van € 3.900 ontvangen. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV het staatspensioen zowel tot het premie-inkomen voor de Awbz als tot het bijdrage-inkomen voor de Zvw gerekend. Naar het oordeel van het Hof kwalificeren de door belanghebbende voor de culturele vereniging verrichte werkzaamheden als werkzaamheden in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel a, van de Verordening (EG) nr. 883/2004, op grond waarvan uitsluitend de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Het Nikula-arrest (Hof van Justitie EU van 18 juli 2006, nr. C-50/05, ECLI:EU:C:2006:493) kan, naar het oordeel van het Hof, in het onderhavige geval niet toegepast worden. De Inspecteur heeft derhalve het staatspensioen in het jaar 2011 terecht tot het premie-inkomen en bijdrage-inkomen gerekend. Voorts faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel, aangezien van een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur, inhoudende dat het staatspensioen niet tot het premie-inkomen respectievelijk het bijdrage-inkomen over het jaar 2010 zou behoren, niet is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl