Hof 's-Hertogenbosch 3 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4748

De Heffingsambtenaar heeft het verweerschrift buiten de termijn als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, doch binnen de termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb, ingediend. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende door de late indiening van het verweerschrift niet in zijn procespositie geschaad. Ter zake van de naheffingsaanslag parkeerbelasting oordeelt het Hof dat ingevolge de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2015 van de gemeente Eindhoven bij het voldoen van parkeerbelasting via telefonische aanmelding onverkort blijft gelden dat belanghebbende onverwijld na het parkeren uitvoeringshandelingen dient te verrichten om deze belasting te voldoen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende niet onverwijld na het parkeren is begonnen met het uitvoeren van bedoelde handelingen. Voor zover belanghebbende stelt dat het hem onduidelijk was op welk moment hij de vorenbedoelde uitvoeringshandelingen moest verrichten, verwerpt het Hof dat betoog eveneens. Voorts acht het Hof geen termen aanwezig voor vermindering van de naheffingsaanslag. Gelet op het feit dat belanghebbende in beroep heeft geklaagd over het feit dat de Heffingsambtenaar de dwangsombeschikking niet tijdig heeft gegeven en de Heffingsambtenaar hangende het beroep de dwangsombeschikking heeft gegeven, oordeelt het Hof dat de Rechtbank gebruik had dienen te maken van haar bevoegdheid om de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het beroep. Het hoger beroep is derhalve gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken