Hof 's-Hertogenbosch 4 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1933
Belanghebbende is houder van een viertal personenauto’s. Aan hem zijn ter zake van die auto’s vrijstellingsbeschikkingen “Motorrijtuigenbelasting Vrijstelling 25 jaar en ouder” verzonden. Tot en met 31 december 2013 bevatte de Wet MRB een vrijstelling voor motorrijtuigen ouder dan 30 jaar met een overgangsregeling voor motorrijtuigen ouder dan 25 jaar (artikel 72, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid) en was belanghebbende voor de onderhavige personenauto’s geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Met ingang van 1 januari 2014 is artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet MRB gewijzigd en is de leeftijdseis van motorrijtuigen voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verhoogd naar 40 jaar. Bij de wetswijziging is een overgangsregeling ingevoerd waardoor voor bestaande situaties onder voorwaarden de vrijstelling op verzoek wordt gehandhaafd (artikelen 84a en 84b van de Wet MRB). Omdat de onderhavige auto’s als gevolg van de wetswijziging niet langer voldoen aan de leeftijdseis voor de vrijstelling, zijn ter zake van die motorrijtuigen aan belanghebbende rekeningen motorrijtuigenbelasting uitgereikt en heeft hij per auto € 120 MRB voldaan. Hiertegen heeft hij bezwaar gemaakt. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbendes grieven niet kunnen slagen. Niet nodig is dat de vrijstellingsbeschikkingen bij wet in formele zin moeten worden ingetrokken en het vervallen ervan vormt geen inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol (EVRM). Ook mocht belanghebbende aan de vrijstellingsbeschikkingen niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de oldtimervrijstelling ook na 1 januari 2014 voor de auto’s van toepassing zou blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl