Hof 's-Hertogenbosch 20 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:189
Belanghebbende heeft op 4 juli 2014, voorafgaand aan het indienen van haar aangifte vennootschapsbelasting 2013, de verschuldigde belasting voldaan. Op basis van de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2013 is een nadere voorlopige aanslag 2013 opgelegd en hierbij is belastingrente in rekening gebracht tot de dag dat de aanslag invorderbaar is. Het Hof is van oordeel dat de van toepassing zijnde wetgeving er niet toe leidt dat het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend eindigt zodra belanghebbende vrijwillig en voorafgaand aan de formalisering van de belastingschuld een bedrag betaalt. Voorts kan niet worden gezegd dat de wetgever, met de keuze voor een hoger percentage belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen, de grenzen van de hem toekomende (ruime) beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Tenslotte oordeelt het Hof dat er geen ruimte bestaat om aan belanghebbende renteschade te vergoeden.
De uitspraak op rechtspraak.nl