Hof 's-Hertogenbosch 18 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5158
Sociaal plan met vrijwilligers- en plaatsmakersregeling kwalificeert niet als VUT-regeling. Belanghebbende heeft in 2013 een reorganisatie aangekondigd als gevolg waarvan ten minste 230 arbeidsplaatsen zouden vervallen. Belanghebbende is met de vakbonden een sociaal plan overeengekomen, in welk plan boventallige werknemers zijn aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies. Het sociaal plan bevat voorts een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling. Belanghebbende heeft de bevoegdheid om een verzoek van een werknemer om gebruik te mogen maken van een van deze regelingen te weigeren. De Inspecteur weigert om een beschikking ex artikel 32ba, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 af te geven, omdat er zijns inziens sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. De Rechtbank oordeelt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien. De Inspecteur komt in hoger beroep. Naar het oordeel van het Hof gaat het er bij de vraag of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding om of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake. Het doel en de intentie die aan de totstandkoming van de regeling ten grondslag liggen, zijn volgens het Hof op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat zij niet moet worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding. Het gaat om de uitwerking ervan in de regeling en om de vraag of de regeling en de daarin opgenomen voorwaarden als zodanig ertoe strekken, dat een overbrugging wordt geboden tot de pensioendatum van de werknemer. Het Hof is voorts van oordeel dat sprake is van een regeling die ertoe strekt alle werknemers van belanghebbende, ongeacht hun leeftijd, een mogelijkheid te bieden om vrijwillig hun dienstverband te beëindigen. De uitkering houdt, anders dan de Inspecteur stelt, geen verband met de (pensioengerechtigde) leeftijd van de werknemer. Ten slotte is het Hof niet gebleken dat uit de voorwaarden van de regeling volgt dat feitelijk een uitkering ter overbrugging tot aan het pensioen wordt geboden. Er is bijvoorbeeld geen bepaling opgenomen dat, zoals kenmerkend kan zijn voor een regeling voor vervroegde uittreding, de betreffende werknemer (voor een bepaalde periode) na beëindiging van het dienstverband geen andere werkzaamheden mag verrichten of dat inkomsten uit andere werkzaamheden in mindering komen op de beëindigingsvergoeding. Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur ten onrechte niet bij beschikking heeft vastgesteld dat het sociaal plan geen regeling voor vervroegde uittreding vormt. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl