Hof 's-Hertogenbosch 8 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4077

Belanghebbende, wonende in Nederland, is op 22 januari 2012 met een personenauto VW Golf met Duits kenteken door de Belastingdienst op de openbare weg aangehouden. Voor de auto is geen aangifte BPM gedaan, geen BPM voldaan en is geen vrijstelling aangevraagd. Bij de controle is aangegeven dat tussen 1 november 2011 en 18 januari 2012 ook in Nederland met de auto is gereden. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende als bestuurder meerdere malen in de auto is gesignaleerd eind maart en begin april 2012. De inspecteur heeft belanghebbende een vragenlijst toegestuurd, waarna belanghebbende heeft verzocht om een informatiebeschikking. Tegen de gegeven beschikking is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is, omdat de gevraagde informatie niet werd verstrekt, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend. Vervolgens is een naheffingsaanslag BPM en een boete opgelegd van respectievelijk € 7.677 en € 3.838. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Hof. Voor wat betreft de onvoldoende motivering van de uitspraak van de inspecteur en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de informatiebeschikking is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Niet gesteld of gebleken is dat ter zake sprake zou zijn van overmacht of een andere oorzaak buiten de macht van belanghebbende die motivering van het bezwaar verhinderde. Nu belanghebbende, vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, tegen die uitspraak geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat die uitspraak onherroepelijk vast. Die uitspraak kan dan ook in het hoger beroep niet meer aan de orde komen. Het Hof gaat in op de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de belasting op motorrijtuigen en besluit met de overweging dat in dit geval alleen bij duurzaam gebruik zonder restricties aan volledige heffing van BPM kan worden toegekomen. Het Hof oordeelt verder dat het buiten redelijke twijfel is dat bij het door het Hof van Justitie gebezigde criterium van (duurzaam) gebruik uitgangspunt is het gebruik dat normaliter van een auto wordt gemaakt. Daarbij moet er van worden uitgegaan dat een auto slechts een deel van de tijd daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt en ook in het buitenland wordt gebruikt. Vervolgens gaat het Hof nader in op de verplichting om in het kader van de heffing van BPM gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het Hof besluit met het oordeel dat een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, niet aan de orde kan zijn. Het Hof oordeelt vervolgens dat het aan belanghebbende is om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Met de overgelegde stukken is belanghebbende niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur, lettende op alle feiten en omstandigheden, de naheffingsaanslag in redelijkheid heeft vastgesteld en opgelegd en dat de inspecteur bij zijn vragen en het vragenformulier geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Van discriminatie is geen sprake. In situaties als aan de orde kan niet anders dan aan de hand van controle en/of het verzamelen van inlichtingen worden bezien of en zo ja in hoeverre heffing van BPM aan de orde komt. Voor wat betreft de boete verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank en voegt daaraan toe dat nakoming van de inlichtingenplicht van artikel 47, van de AWR niet leidt tot een door artikel 6 van het EVRM verboden plicht tot zelfincriminatie. Het Hof ziet, hoewel de behandeltermijn van 2 jaar bij het Hof zelve is overschreden, geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken