Hof 's-Hertogenbosch 8 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4076

Belanghebbende, die in Nederland woont, is op 5 juli 2011 wegens te snel rijden met een Mercedes E 350 CDI door de politie aangehouden. De auto was voorzien van een Duits kenteken en had een Duitse houder, zijnde een lease/huurmaatschappij. Voor de auto is geen aangifte BPM gedaan, is geen BPM voldaan en is geen vrijstelling aangevraagd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht een vragenformulier in te vullen. Uiteindelijk geeft belanghebbende de inspecteur aan dat hij vooruitloopt op toekomstige wetgeving en verzoekt hem een naheffingsaanslag op te leggen. Omdat niet is voldaan aan de informatieplicht van de artikelen 47 en 49 AWR, geeft de inspecteur belanghebbende een informatiebeschikking. Nu desgevraagd geen motivering wordt gegeven, verklaart de inspecteur het bezwaar tegen de beschikking niet-ontvankelijk. De inspecteur legt vervolgens een naheffingsaanslag BPM van € 11.018 op. Hij gaat daarbij uit van een huurperiode in Nederland van 36 maanden. In geschil zijn de naheffingsaanslag en het nagegeven bedrag. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven over de klachten inzake de informatiebeschikking. Nu belanghebbende tegen de uitspraak van de inspecteur geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat die uitspraak onherroepelijk vast en kan deze in hoger beroep niet meer aan de orde komen. Het Hof gaat in op de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de belasting op motorrijtuigen en besluit in dat verband met de overweging dat in dit geval alleen bij duurzaam gebruik zonder restricties aan volledige heffing van BPM kan worden toegekomen. Vervolgens gaat het Hof nader in op de verplichting om in het kader van de heffing van BPM gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het Hof besluit met het oordeel dat een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, niet aan de orde kan zijn. Het Hof oordeelt vervolgens dat het aan belanghebbende is om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Met de overgelegde stukken is belanghebbende niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. De inspecteur heeft op voldoende wijze rekening gehouden met de feiten en omstandigheden en heeft de naheffingsaanslag naar redelijkheid opgelegd. Er is hier ook ruimte voor het vragen van inlichtingen en informatie. Het Hof ziet, hoewel de behandeltermijn van 2 jaar bij het Hof zelve is overschreden, geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken