Hof 's-Hertogenbosch 30 juni 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2667
Belanghebbende bezit op 1 januari 2013 de mede-eigendom van dertien huurwoningen in de zin van de Wet verhuurderheffing. Met betrekking tot deze dertien woningen zijn aan belanghebbende WOZ-beschikkingen kenbaar gemaakt. Niet in geschil is dat belanghebbende op grond van de wet de verhuurderheffing is verschuldigd. Belanghebbende bestrijdt door de wetgever gemaakte en in de artikelen 3 en 4 van de Wet verhuurderheffing neergelegde keuzes en betoogt dat die onredelijk en willekeurig zijn en leiden tot een buitensporige last. Het Hof is van oordeel dat de wetgever de ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden door voor de verhuurderheffing aan te knopen bij de WOZ-beschikkingsgerechtigde. Voorts is het Hof van oordeel dat belanghebbende geen begin van bewijs heeft geleverd dat sprake is van een buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl