Hof 's-Hertogenbosch 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1938
Een vrouw valt tijdens een paardrijles van een paard. Zij stelt op grond van art. 6:181 BW de manegehouder aansprakelijk voor de gevolgen van de val. Het hof acht art. 6:181 lid 1 BW van toepassing, omdat de manegehouder het paard waarop de vrouw reed en dat bij haar was gestald ook heeft verhuurd en ter beschikking heeft gesteld voor paardrijles. Niet gebleken is dat de paardrij-instructeur als “die ander” zoals is bedoeld in het tweede lid van art. 6:181 BW moet worden aangemerkt. Het struikelen van een paard vloeit voort uit de onberekenbare krachten die de eigen energie van het paard als levend wezen oplevert nu niet is gebleken dat het struikelen van het paard door een van de cursisten of bezoekers van de manege is veroorzaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl