Hof 's-Hertogenbosch 28 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1706

Belanghebbende heeft aan een aantal werknemers in 1998 en 1999 optierechten toegekend. Het optierecht behelst het recht tot het verkrijgen van certificaten van aandelen in een tot het concern behorende vennootschap. In het jaar 1999 wordt besloten tot een beursgang. In dat kader doen de optiehouders op 29 november 1999 tegen een vergoeding afstand van het optierecht door middel van een overeenkomst geen gebruik te zullen maken van de optierechten. De vergoeding wordt niet in de aangifte loonbelasting van belanghebbende begrepen. De betaling van de vergoeding wordt (rentedragend) schuldig gebleven; de betaling vindt uiteindelijk plaats op 13 december 2001. De voorgenomen beursgang in april 2000 gaat niet door; het concern wordt eind 2001 verkocht. Naar aanleiding van een belastingcontrole heft de Inspecteur in 2004 loonbelasting na met een boete van 50%. De Rechtbank heeft de nageheven loonbelasting in stand gelaten, doch de boetebeschikking vernietigd. Belanghebbende stelt hoger beroep in; de Inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in voor zover het betreft de vernietiging van de boetebeschikking. Het Hof is van oordeel dat `de overeenkomsten om geen gebruik te zullen maken van de optierechten in feite neerkomen op het doen van afstand van deze rechten. Op grond van de wetsgeschiedenis concludeert het Hof dat de overeenkomsten als vervreemding moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 10a van de Wet LB, met ingang van 26 juni 1998 ingevoerd bij Wet van 24 juni 1998, Stb. 1998, 370, tot wijziging van de Wet LB 1964, de Wet VPB 1969 en de CSV (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten). De vergoedingen zijn tegen nominale waarde belast op het tijdstip dat deze rentedragend zijn geworden, derhalve op 1 januari 2000. Met betrekking tot de vergrijpboete concludeert het Hof dat sprake is van voorwaardelije opzet. Gelet op de dubbele rol van de belastingadviseur van het concern die tevens bestuurder was van de Stichting Certificering worden alle activiteiten van de adviseur toegerekend aan het concern. Het Hof matigt de boete na toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel en wegens undue delay tot 15%. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur slaagt in zoverre.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken