Hof 's-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:10
Belanghebbende is belastingplichtig voor de forensenbelasting ingevolge de Gemeentewet in verbinding met de gemeentelijke verordening, omdat hij een vakantiewoning op een in de betrokken gemeente gelegen vakantiepark bezit. De gemeente heeft ervoor gekozen om de forensenbelasting niet van de eigenlijke belastingplichtigen zoals belanghebbende te heffen, maar van de exploitant van het vakantiepark. Daartoe heeft de gemeente een convenant gesloten met die exploitant. De gemeente stelt zich op het standpunt dat deze wijze van heffing mogelijk is, gezien artikel 64 van de AWR. Belanghebbende verzet zich tegen de heffing van de op hem betrekking hebbende forensenbelasting van de exploitant van het vakantiepark. Over de materiële belastingschuld is geen geschil. Volgens de heffingsambtenaar is belanghebbende niet beroepsgerechtigd. De belastingaanslagen zijn immers niet aan hem opgelegd. De Rechtbank acht belanghebbende beroepsgerechtigd omdat een vermogensbestanddeel van hem in de heffing wordt betrokken (artikel 26a, lid 2, AWR). Volgens de Rechtbank verschaft artikel 64 AWR geen toereikende grondslag voor de onderhavige belastingaanslagen. De Rechtbank vermindert die aanslagen met de op belanghebbende betrekking hebbende belastingbedragen. Het Hof oordeelt in hoger beroep dat belanghebbende terecht als beroepsgerechtigd is aangemerkt, zij het niet op grond van artikel 26a, lid 2, AWR. Volgens het Hof is belanghebbende bij strikte wetstoepassing namelijk niet beroepsgerechtigd, maar moet belanghebbende desalniettemin als beroepsgerechtigde worden aangemerkt om te voorzien in een lacune die bij die strikte wetstoepassing zou ontstaan, analoog aan BNB 2000/284. Het Hof verwerpt ook het betoog van de heffingsambtenaar dat belanghebbende geen procesbelang zou hebben bij gebreke van geschil over de (grootte van) de materiële belastingschuld. Het Hof is echter van oordeel dat artikel 64 van de AWR een toereikende grondslag verschaft voor de onderhavige belastingaanslagen. Ten overvloede overweegt het Hof dat de toepassing van die bepaling niet tot gevolg lijkt te hebben dat op belanghebbende enige betalingsverplichting komt te rusten. Hij is immers zelfs niet aangeslagen en hij is geen partij bij het convenant tussen de gemeente en de exploitant.
De uitspraak op rechtspraak.nl