Hof 's-Hertogenbosch 2 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2524

Belanghebbende bezit een aantal percelen landbouwgrond, die zijn gelegen in voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling aangewezen gebied. Nadat kopers in 2006 hun interesse voor een stuk bouwgrond bij belanghebbende kenbaar hebben gemaakt, worden de percelen gesplitst, overgedragen aan de Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. voor een standaardprijs en teruggekocht voor een aanzienlijk hogere prijs. Vervolgens zijn de percelen grond, gedeeltelijk bouwgrond en gedeeltelijk cultuurgrond, verkocht aan de kopers voor een nog hogere prijs. De Inspecteur legt een navorderingsaanslag op en belast daarbij de bij de verkoop van de gronden gerealiseerde winst. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een nagekomen bedrijfsbate. Het Hof acht aannemelijk dat het voornemen om de gronden te verkopen is opgekomen in 2006, zodat deze gronden na de staking van het agrarisch bedrijf in 2004 niet meer tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat evenmin sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof acht aannemelijk dat het door belanghebbende genoten voordeel voortspruit uit de (marktconforme) prijs die de kopers in 2006 hebben aangegeven te willen betalen voor de gronden in combinatie met het feit dat de Provincie via de C.V. in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling de noodzakelijke bestemmingswijziging tot stand wilde brengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken